
Makanlah
Nasi! (Eet rijst!) De Indische rijsttafel (voor Holland)
door mevrouw Koba M.J. Catenius-van der Meijden.
Derde vermeerderde druk van
"Patti-de Indische rijsttafel". 's-Gravenhage: Ort & Van Straaten,
1922(eerste drukjaar en -plaats onbekend)
(Cijfers tussen [vierkante haken] geven het paginanummer in het boek aan.
De inhoudsopgave staat helemaal onderaan, zoals ook in het oorspronkelijke boek.EEN KORT VOORWOORD
bij den derden vermeerderden druk van dit zoo algemeen bekend
werk, dat, tot mijn groote voldoening, gebleken is, zoodanig te zijn
samengesteld, dat ook onervaren vrouwen en zelfs heeren - dit is mij
persoonlijk bekend - het gaarne als leiddraad gebruiken bij de bereiding van
een eenvoudige maar goede rijsttafel.
Mits men de bijzonderheden vóóin aandachtig heeft gelezen en zich
overigens stipt houde aan de opgegeven hoeveelheden.
Moge het debiet daarom toenemen en deze vermeerde druk in geen
rijsttafel-genietend gezin ontbreken.
MEVROUW KOBA M. J. CATENIUS-VAN DER MEIJDEN.
's-GRAVENHAGE. Zoutmanstraat 52
[volgende pagina]
VOORWOORD BIJ DEN EERSTEN DRUK
Het doel, met dit boekje beoogd, is iedere Hollandsche vrouw,
zelfs de keukenmeid, in de gelegenheid te stellen, zonder hulp van Indische
menschen, een eenvoudige rijsttafel te bereiden.
Die bereiding is inderdaad niet moeilijk, doch zij eischt veel
oplettendheid, wijl de toevoeging van te veel of te weinig specerijen zeer veel
afdoet aan de smakelijkheid van het maal, terwijl men goed moet toezien, dat
men zich niet vergisse bij het gebruik der verschillende specerijen, waarvan
vele, in poedervorm of zeer fijn gesneden, sterk op elkander gelijken.
De methode, om hierin geen vergissingen te begaan, vindt men in
dit boekje, voor, in de Inleiding.
Moge de taak, die ik mij heb gesteld, zoo ook de moeite der
samenstelling geen vergeefsche poging zijn. Dat ieder het genot eener
behoorlijke rijsttafel kunne smaken. Men Ieze daartoe eerst aandachtig de
Inleiding.
MEVROUW KOBA M. J. CATENIUS-
VAN DER MEIJDEN.
[nieuwe pagina]
INLEIDING
Bij een rijsttafel wordt per persoon gerekend op pl.m. 2 à 21/2
ons rijst. De ongekookte rijst zet zich door het koken zeer uit.
Men heeft, zooals bij alle kokerij, te weten, welke hoeveelheden
noodig zijn en welke verhoudingen, vooral bij eene rijsttafel, voor de
specerijen ten opzichte van elkander en voor het te maken gerecht, gewenscht
zijn. Kenmerkend is het gebruik van veel uien.
Bij de bereiding van enkele sambals of sambelans wordt gerekend op
kleine hoeveelheden kruiden, welke hoeveelheden bij de recepten zijn opgegeven.
Afwijkingen, naar den smaak der bereidster, zijn geoorloofd en schaden niet aan
het bijgerecht. Men zorge, dat te voren alle noodige kruiden bij de hand zijn
en men de gewenschte hoeveelheid met een lepel uit de bus kan scheppen.
Wordt aangeraden vele blikken bussen en busjes, ook fleschjes en
flesschen te hebben, elk met duidelijke
etiquette ter voorkoming van
vergissingen.
Tot de vele noodige ingrediënten voor de rijsttafel behooren o.a.:
KI. bi. Assem (tamarinde) in plakken.
> Laos (wortelsoort) fIJn of grof.
> Seréh (citroengras) gesneden of grof.
> Koenjit (kurkema) fijn of grof.
> Kentjoor (wortelsoort) fijn of grof.
[VIII:]
KI. bI. Katoembar (koriander) fijn of grof.
> Djienten (komijn) fijn of grof.
> Kemirie (harde nootjes).
> Keloewèk (noot) fijn gestampt. Tegenwoordig kan men fijngemalen
of gestampte Keloewèk in fleschjes of flacons krijgen - zoo ook per lood.
> Lombok (Sp. peper) gedroogd of versch.
> Temoe Koentji (wortelsoort) fijn.
> Petéhboonen (Ind. boon) gedroogd, of, in flacon, gezouten.
> flac. Petis oedang in potje, of
> Petis ikan in potje.
(petis is garnalen- of
vischextract).
> Trassi, een kwalijkriekend, doch onmisbaar artikel bij een
smakelijke rijsttafel.
> bI. Daon salam (laurierbladeren).
> Daon djeroek poeroet (citroenbladeren) en schillen.
Verder heeft men, ter completeering van een goede, nog niet eens
volledige tafel, de volgende artikelen noodig:
Flesch. Klapper (kokos) olie; ook "Palmin" of “Delfia"
in pakje.
Flesch. Telor troeboek (gezouten vischkuit).
Gr. bI. Kroepoek (gedroogd visch- of gamalendeeg).
KI. bI. Katjang-bras en katjang idjoe (Ind. boontjes).
Flacon. Kétjap of soja.
KI. bI. Bawang
poetih (knoflook).
> Bawang mérah (sjalotten) versche.
> Widjèn mejan (pitjes).
Flesch. Ikan mérah (Makkassaarsche roode vischjes)
[IX:]
Flesch. Mangga-chutney (Engelsch zoetzuur).
KI. flac. Goela-dwaja (bruine ]avaansche suiker).
Or. bI. mie (chineesche macaroni).
En, bij de bereiding, noodig de volgende voorwerpen:
Een paroedan (rasp).
Twee zeven (tanggok) een fijne, een grove.
Een wadjan (ijzeren braadpan).
Een loempang batoe (steenen mortierije met st. stamper)
Een sodèt (een platte ijzeren lepel).
Ook "gevlochten mandjes" van klapper- of lontarbladeren,
voor het bereiden van Ketoepats
(zie recept no. 12). Ze zijn in de winkels van Indische kruiden verkrijgbaar en
niet duur.
Heeft men zich deze verschillende ingrediënten en benodigdheden
aangeschaft en ze in groote of kleine busjes (gr. bl. of kl. bI.), in groote of
kleine flesschen of flacons gedaan en deze allen goed gesloten, opdat de aroom
niet vervliege, dan is men voor de Indische keuken ingericht en neme men die
blikken of busjes, zoomede de flesschen of flacons, bij zich, die men straks
bij de bereiding der gerechten noodig heeft.
Het spreekt vanzelf, dat de geheele voorraad van al de
ingrediënten niet behoeft te worden aangesproken. De gerechten, in hunnen smaak
zeer uiteenloopend, bestaan natuurlijk uit verschillende bestanddeelen.
De gewone benoodigdheden der Hollandsche keuken heeft men reeds
vanzelf, als: zout, witte en zwarte gemalen peper, notemuskaat.in stukjes of
fijngeraspt, foelie, kaneel in pijpen, kruidnagels.
[X: ]
Men kan, voor het klaarmaken eener rijsttafel, twee wegen inslaan,
n.l. óf de gereed gemaakte sambelans (de heete toespijzen) in kleine fIeschjes
koopen, óf men kan, met de bovenopgegeven ingrediënten, de sambelans zelve
bereiden, b.V. twee of drie zelfgekozen bijgerechten. Voor de meesten is het 't
gemakkelijkst, de fIeschjes kant en klaar te koopen, dan is men van "dat
bewerkelijk gedoe" af, maar!. . . .daardoor leert men nooit het zelfstandig bereiden van de rijsttafel; men
kan dan niet zeggen: '"dat heb ik alles alleen klaargemaakt".
Bovendien is de aankoop vrij duur, is men, voor enkele fIeschjes,
spoedig eenige guldens kwijt en moet de inhoud vlug worden opgemaakt, daar
anders enkele sambelans schimmelen.
Maakt men zelve de sambelans, dan heeft men de zekerheid, dat zij
versch zijn, dat men grootere hoeveelheden heeft dan in de fIeschjes en dat de
zelfbereide zaken de helft goedkooper in prijs en aangenamer van smaak zijn,
terwijl men ze in goed gesloten fIeschies kan bewaren voor een latere
gelegenheid (in den winter), mits men
de sambelans bedekt met een laagje olie. (Sambelans waarin santen of melk is, kunnen
niet worden bewaard).
Men zorge dus, als men overgaat tot de bereiding eener
"zelfgemaakte" rijsttafel, dat men al de hiervoren genoemde zaken bij
de hand heeft.
Uit verschillende annonces in couranten kan men gemakkelijk te
weten komen, waar al de kruiden, specerijen en verdere benoodigdheden te
krijgen zijn. In prijzen verschillen zij niet veel bij de kooplieden van
dergelijke artikelen.
[XI:] Wanneer men versche klapper gebruikt dan koope men er een, die er van buiten gaaf uitziet,
égaal bruin, droog van uiterlijk en op gevoel, met goede oogkiemen, waaraan
geen wit of groen mag te zien zijn - een teeken van inwendig bederf. Bovendien
moet een goede klapper, die van binnen altijd met water moet gevuld zijn, als
men hem schudt, het klotsen van het water doen hooren. Tegenwoordig kan ook
geraspten .klapper in 1/1, 1/2 en 1/4 blikken krijgen.
Van de ketan, of kleefrijst, heeft men twee soorten: de witte en
de zwarte soort; deze laatste ziet er blauwpaarsig uit en wordt in 't bijzonder
gebruikt, als men Indisch gebak maakt, hoewel de witte ketan ook zéér veel
wordt gebruikt, vooral in Holland, waar men van het vreemde blauw-zwart
afkeerig schijnt te zijn.
Zoo heeft men in Indië de witte
en roode rijst - een mindere
kwaliteit en goedkooper in het warme land.
In onze z.g. "Indische keuken" wordt de roode rijst
aangewend om eenig gerecht een rood kleurseltje te verleenen.
[XII] ENKELE BIJZONDERHEDEN VAN SOMMIGE INGREDIËNTEN.
Hoe komt het, dat een Indische tafel, door Hollandsche handen
bereid, gewoonlijk minder smakelijk is dan wanneer zij door eene Indische is
klaargemaakt?
Dat komt door onbekendheid met den aard der ingrediënten, door het
doen van onnoodig en het nalaten van noodig werk. Men moet bekend zijn met
eenige preparatieven, anders komen de bestanddeelen der toespijzen niet tot hun
recht. Die er maar op los kookt en bakt, bederft al het werk en eigen lust en
liefhebberij daarbij.
De volgende wenken worden daarom gegeven:
De gekochte rijst moet,
vór ze gekookt wordt, goed worden gewasschen, Qpdat het rijstmeel verdwijne en
de korrels schoon zijn. Anders wordt ze papperig.
De assem weeke men, zoo
veel als men noodig heeft, in lauw water, en wringe haar daarna uit in
datzelfde water, dat voor verschillende doeleinden wordt gebruikt - het
zoogenaamde "assem water". Een lepel assem op twee lepels water of
meer.
De kemiries moeten,
evenals okkernoten, worden geopend. De zeer harde schaal breekt men met een
hamer. Het witte vleesch in de kemirie n.l. wordt gebruikt.
De gedroogde lombok
worde eerst in lauw water geweekt, gedurende een tiental minuten. Voor
niet-te-sterke schotels neme men de pitjes uit de hauwen.
De gedroogde petéhboonen worden, den avond te voren
in lauwwarm water geweekt en daarin gelaten,[XIII:] tot de vliezige schil er af
kan worden gepeld, terwijl de gezouten petéhboonen wel twee à driemalen moeten
afkoken, om het zoutgehalte te verwijderen; zijn de boonen nagenoeg gaar, dan
worden ze, voor het gebruik, gesnipperd.
De petis is, die men in
dik gedegen toestand koopt, moet nader worden bereid, eer het als smakelijk
bijgerecht is te gebruiken; zie recept no. 131.
Van de tetor-troeboek gebruike men niet te veel; één
heel stuk. dat, na gebakken, in kleine vierkante stukjes wordt gesneden; een
zestal zijn nagenoeg voor het maal, daar het artikel verbazend zout smaakt. Het
is ongeveer hetzelfde als de geroemde Russische kaviaar; zie recept no. 79.
De Ikan-mérah wordt op een schaaltje gedaan, 20
à 30 stuks, evenals ansjovis, daaroverheen het roode nat, vermengd
met een weinigje azijn en gesneden sjalotten. Sommigen wasschen eerst de
vischjes; noodig is het niet er gaat m.i. te veel van den eigenaardigen smaak
verloren. Zie recept no. 69.
Van trassi wordt er
altijd weinig gebruikt, gewoonlijk eene hoeveelheid ter grootte van een groote
bruine boon, hoogstens 1/2 theelepeltje; de trassi wordt in den regel gebrand
of gepoft; voor enkele gerechten, wordt de trassi verdund en vermengd, het
zoogenaamde "trassiwater". Een half dessertlepel trassi op 1 à 2
lepels water.
Katjang-bras moet, voor het gebruik, altijd
worden geweekt en dan gepeld; het moet een nacht te voren in koud water worden
gedaan.
Mie
wordt, voor het bereiden van de vermaarde "bahmie",[XIV:] eerst in
heet water geweekt, waartoe men het op een zacht vuurtje laat trekken. De mie
mag niet al te gaar zijn en volstrekt niet
koken.
De klapper wordt voor
bijna alle gerechten geraspt (met den paroedan)
en het geraspte in lauwwarm water geweekt en gewrongen; men moet ze goed
persen. Het eerste witte vocht wordt de dikke
santen genoemd, en gelijkt op onze
melk. Het tweede water, waarin de geperste klapper wordt gedaan, wordt wederom
met het raspsel goed dooreen gemengd en daarna de geraspte klapper er in uit
gewrongen, wordt dunne santen genaamd. Het drooge raspsel kan
dan des noods nog voor een of ander gerecht worden gebruikt, maar men werpt dit
in den regel weg, daar er weinig smaak en kracht meer aan zit. Voor klapperolie wordt tegenwoordig veel palmin gebruikt.
Om bij de bereiding der Indische gerechten en bij het opscheppen
der bestanddeelen in fijnen of poedervorm, eenig idee te hebben van de
hoeveelheid, diene dat een middelmatig groot theelepeltje, behoorlijk
opgehoopt, ongeveer 1 3/4 gram weegt. De katoembar en djienten worden samen bij
een gerecht gebruikt, gewoonlijk genomen in de verhouding 2 tot 1; b.v. 2
theelepels katoembar op 1 theelepel djienten. De enkele afwijkingen in de
verhouding vindt men in de recepten aangegeven, b.v. als men zelf dendeng
(gedroogd gekruid vleesch) maakt.
Over het koken.
Het schijnt de oningewijde een zeer bewerkelijke zaak te zijn,
zoo'n rijsttafel, toch is ze zeer eenvoudig, als [XV:] men maar niet, uit
gemakzucht, tegen de bewerking opziet.
Het lijkt meer dan het is en . . . . men maakt slechts eenige gerechten gereed. Het voornaamste is
geduld, oplettendheid en geen eigen gevolgde afwijking van deverhoudingen der
specerijen, die elk hun specifieke eigenaardigheden hebben.
Al doende leert men en krijgt men er de noodige handigheid, later
de gelukkige vaardigheid in. Zelfwerken, zelf doen,ziedaar de zaak.
Al de opgegeven zaken en ingrediënten zijn in alle groote steden,
doch stellig in Den Haag, die groote Indische stad, gemakkelijk verkrijgbaar.
Zij, die buiten wonen, ten platte lande, in dorpen of villa's,
kunnen het noodige per brief met postwissel, dan wel rembours bestellen.
Bij het bereiden, bakken en koken der gerechten en verschillende
schotels, moet (mag) men nooit gebruik maken van vaatwerk, potten of pannen,
doch steeds van goed geëmailleerde potten en pannen, zoomede van steenen of
verglaasd keukengerei.
KOBA M. J. CATENlUS VAN DER MEIJDEN.
[1:] DE RIJSTBEREIDING.
1. Gewone rijst.
Alle rijst, welke ook en van welken prijs, moet, alvorens gekookt
te worden, worden gewasschen, opdat het stof, het meelige, met het waschwater
wegvloeit. Zonder deze bewerking zou de gare rijst er als pap uitzien. De rijst
moet tevens, door het wasschen, helder wit zijn. Men neemt ongeveer twee à twee
en een half pond rijst en wascht ze goed helder. Daarna doet men de rijst in
een geëmailleerden of .ijzeren pot met deksel en voegt er zooveel water bij,
dat dit ongeveer 2 à 3 c.M. boven de rijst uitkomt. Men voegt er 1 à 2 afgestreken lepels zout bij. Nu wordt den pot
gesloten. De rijst laat men niet te hard, boven een matig vuur, koken, tot ze
bijna is droog gekookt en er zich gaatjes in het gekookte vertoonen. Daarna
neemt men den pot van het vuur, roert de rijst goed door elkander en voegt er
nog een klein kopje water door en laat dit, met het deksel er op, boven een
zacht vuur koken, tot de rijst gaar is. Nu en dan moet men er nog in roeren.
Rijst kan, naar mate van het vuur, op deze wijze gekookt, in een à
anderhalf uur gaar zijn.
2.
Een andere manier.
Heeft men de gewenschte hoeveelheid rauwe rijst genomen en haar
goed schoon gewasschen, dan neemt men op een kopje rijst twee kopjes water. Het
water eerst laten koken met een weinig zout (op 2 kopjes water . 1/2 à 1
theelepel zout).
[2:] Als 't water goed kookt en borrelt doet men er de rijst in en
roert men steeds, tot er geen water meer boven de rijst is (10 à 15 minuten).
Dan dit boven een zacht vuurtje een à anderhalf uur laten stoomen. Den pot
houdt men goed gesloten en mag dan niet tusschentijds worden geopend.
Na 1 1/2 uur de rijst met een houten lepel omwoelen; zoogenaamd -
losmaken - en dan is de rijst gereed, om warm te worden opgediend. Wil men dus
om half zes eten en warme rijst ter tafel brengen, dan moet ze om vier uur
worden opgezet.
3.
Rijst met kip.
(Nasi
ajam).
Een kippetje, twee theelepels zout, vier stuks kruidnagel, twee
laurierbladeren, en paar peperkorrels, de kippenbouillon, een paar stukken
foelie, een weinig boter, selderijblaadjes, gebakken uien.
Men kookt de kip met wat zout, peper en notemuskaat bijna gaar.
De rijst wordt, met den bouillon, op dezelfde wijze gekookt als de
rijst bij het eerste recept.
Zoodra er zich in de gekookte rijst gaatjes (putjes) vertoonen,
neemt men een bord vol van de rijst uit den pot, die van het vuur is gehaald.
De kip doet men nu, met een kluitje boter, in den pot met rijst,
waarna men al de opgegeven specerijen er bij voegt, de kip met de zoo even
uitgehaalde rijst gelijkelijk bedekt, over dit alles 1 à 1 1/2 kopje bouillon
stort en de rijst verder in den gesloten pot laat gaar koken.
[3:] Wordt deze rijst opgediend, dan haalt men er eerst
voorzichtig de kip uit, snijdt ze, gemakshalve, aan stukken, rangeert deze
netjes op een groote platte schaal, doet de rijst er in de rondte om heen en
versiert verder den klaargemaakten schotel met fijne jonge selderijblaadjes en
wat bruin gebakken uien.
Men zorge er voor dat deze schotel, het hoofdgerecht,warm worde
opgediend.
4.
Rijst, genaamd "Nasi Keboeli".
Een kip of pl.m. 1 1/2 pond kalfsvleesch; 1/2 theelepel djahé, 1/2
lepel laos, 1/2 lepel djienten, 1 eetlepel koriander, eenige
jeroekpoeroetbladeren, 4 schijfjes knoflook, 2 stuks fijn gesneden uien, 1
theelepel seréh. (Kruiden voor de kip).
Verder: 1/2 pijp kaneel, 1 theelepel djahé, 5 peperkorrels of 1/2
theelepel fijne peper, een theelepel fijngestampte notemuskaat, een paar
stukjes foelie, 2 lepels gebraden gesneden uien en 1/2 lepel gebraden
fijngesneden knoflook, boter of klapperolie. (Kruiden voor de rijst).
Men stampt de "kruiden voor de kip", na vermenging, fijn
en kookt de kip hiermede in een liter water bijna gaar, waarna men de kip in
boter of olie bruin braadt.
De "kruiden voor de rijst" stampt men fijn en kookt ze
met den bouillon van de kip even op, waarna men de rijst in dezen bouillon
kookt, even als op de wijze in no. 1. Is de rijst gaar, dan wordt ze op een
schaal gedaan, waaromheen de kip, in stukken, wordt gerangeerd en de gebraden
uien over alles wordt gestrooid. Warm voordienen.
[4:]
5. Rijst met gehakt.
Een half pond runder- en evenveel varkens- of kalfsgehakt, 2
eieren, 1 theelepel kruidnagelgruis, 1 theelepel notemuskaat, 3/4 theelepel
fijne peper, 2 theelepels zout, 4 of 5 sneetjes geweekt brood; 4 kruidnagels,
een paar stukjes foeli, boter en 2 stuks daon-salam.
Men maakt eerst een bal gehakt met al de hierboven opgegeven
ingrediënten tot en met geweekt brood.
Daarna kookt men de rijst bijna gaar met de verder opgegeven
specerijen.
Is de rijst bijna gaar, dan neemt men er van 't midden een bordvol
uit, doet in de opening de boter (1 à 2 lepels en daarop het gehakt, dat men
bedekt met het bord uitgeschepte rest, gelijkelijk er over gespreid; vervolgens
begiet men dit alles met een kopje water, maakt den pot goed dicht, 'bedekt het
deksel in de rondte met een doek, zoodat de wasem binnenblijft en laat dit op
een zacht vuur goed gaar koken.
Mocht het gehakt dan nog niet overal even gaar zijn, dan moet het
in de rijst worden omgedraaid, waartoe dezelfde bewerking, als hierboven is
aangegeven en bedekt het vleesch weer met de uitgeschepte rijst en laat dit
warm blijven boven een zacht vuur. Wordt de rijst wat droog, dan giet men er
nog een weinig bouillon of water over en bedekt het geheel.
6.
Gele rijst.
Om deze rijst smakelijk te bereiden neemt men een grooten klapper.
Verdere benoodigdheden zijn: 1 lepel [5:] zout, 1 1/2 theelepel fijne seréh,
ongeveer 1 theelepel koenjit, 3 à 4 djeroekpoeroet bladeren: kleine fijne
selderijblaadjes, fijngesneden gebraden uitjes, fijngesneden schijfjes
komkommers, een paar aan schijfjes gesneden hard gekookte eierèn en 1/2 kopje
gebraden katjang bras.
De klapper wordt geraspt en hiervan dikke en dunne santen
gemaakt.
De rijst wordt nu met de dunne santen en de specerijen, aangegeven
tot en met djeroekpoeroet bladeren, gekookt als in nu. 1; nu en dan moet ze
geroerd worden, om de koenjit goed te vermengen, opdat de rijst een gelijke
gele kleur krijgt.
Daarna voegt men, als de rijst halfgaar is, de dikke santen er bij en laat de rijst
verder gaar koken.
Wordt deze rijst voorgediend, dan worden de verder opgegeven
ingrediënten, als versiering en voor den aangenamen smaak, er om heen
gerangeerd.
7.
Gebraden rijst.
(Nasi
gorèng.)
Hiervoor neemt men gekookte rijst. desnoods rijst van den vorigen
dag. Verder: 4 fijngesneden uien, 6 schijfjes fijngesneden knoflook, 1/2
theelepel trassi, 1 volle eetlepel koriander, 1/2 eetlepel djienten.
Vervolgens: boter, gebraden fijngesneden uien, stukjes ham of stukjes gefruit
vleesch en een omelet van 3 of 4 eieren.
Al de eerstgenoemde specerijen worden met de uien en het knoflook
fijngestampt en in veel boter of vet op[6:]gebraden waarna men gekookte rijst
er doorheen roert met de overgeschoten stukjes vleesch of ham. De rijst mag
niet al te erg zijn gebraden.
Wanneer de rijst wordt voorgediend, wordt deze versierd met dunne
reepen van de omelet en desnoods nog met wat gebakken ham en gebakken uien.
8.
Een andere bereiding van gebraden rijst.
Overgeschoten rijst van den vorigen dag, b.v. 1 pond; vijf à zes
gesneden groote uien, twee lepels boter, drie theelepeltjes sambel-oelek, zout
naar smaak, stukjes overgebleven koud vleesch - men kan er stukjes ham
bijvoegen - twee eieren, waarvan, met een theelepel boter, een zeer dunne
omelet wordt gemaakt.
Men fruit eerst de uien in boter, tot ze geel zien, en voegt daar
een weinig zout bij. Dan voegt men bij de gefruite uien de sambel-oelek en laat
dit samen doorbakken, pl.m. 10 minuten, waarna men er de stukjes vleesch bij
doet.
Als dit gereed is, doet men er de rijst bij en bakt dit samen op,
steeds roerende, om alles goed te vermengen. Men bakt dit op een niet te hard
vuur, ongeveer 10 minuten.
Vervolgens doet men nu de rijst in de schaal en belegt haar met de
te voren gebakken en aan repen gesneden omelet, waarna het gerecht, warm
opgediend, voor gebruik gereed is.
9.
Nasi Ooeri.
Men kookt en bereidt de rijst zooals in recept no. 2 [7:] is
aangegeven, doch in plaats van water, neemt men twee kopjes aangelengde (dikke)
santen.
10.
Schotel van overgeschoten rijst.
sambelans
en vleesch.
Overgeschoten rijst, vleesch en sambelans, 4 à 5 lepels
fijngesneden uien, 1/2 lepel fijngesneden knoflook, 1/2 eetlepel seréh, 1
spaansche peper, zout naar smaak, 3 djeroekpoeroet- en 3 salambladeren, boter
of vet en een omelet van 3 of 4 eieren.
Men stampt al de specerijen bij elkander, braadt ze bijna gaar en
doet er de overgeschoten sambelans en het vleesch bij; daarna voegt men er de
rijst bij, terwijl men aldoor blijft roeren. Deze rijst wordt, evenals de
gebraden rijst (no. 7). in een braadpan gebraden.
Is de schotel gereed, dan wordt ze voorgediend met aan repen
gesneden omelet er overheen.
11.
Rijst voor zieken en zwakken.
(b.
v. voor 1 of 2 personen)
Nasi-tim.
Men neemt 1 à 1 1/2 ons rijst en kookt deze als is aangegeven in
no. 1 - verder: 3/4 theelepel zout, 1 ons kalfsgehakt of kalfsvleesch.
Wordt de rijst met gehakt gekookt, dan wordt dit eerst met zout,
brood en een ei aangemaakt. Men neemt vervolgens een klein pannetje met deksel
en kookt de rijst op, als in no. 3 aangegeven. Daar de rijst zacht moet [8:]
zijn, wordt er meer water bijgevoegd, tot ze, gaar zijnde, nog zacht is en het
vleesch of gehakt gaar is.
12. Ketoepat.
Rijst;
gevlochten mandjes van klapperbladeren.
Daarna sluit men de mandjes of pakjes en kookt ze in water gater,
waarbij men, bij het verdampen van het water, telkens warm water voegt.
Men zorge er voor, dat de gevlochten mandjes in- en uitwendig
eerst goed worden schoongemaakt en
onderzoeke tevens, bij den aankoop, dat ze niet - gevolg van slechte verpakking
bij de verzending uit Indië – rieken maar een af andere specerij, naar eenige
vischsoort en dergelijke.
Men snijdt een ketoepat open ter onderzoek of ze van binnen gaar
is. De gekookte rijst vult de geheele
ketoepat.
EENIGE VLEESCH-, KIP-, VISCH- EN EIERSCHOTELS.
13.
Masak-Ielawar van vleesch.
Anderhalf pond fijngesneden kalfs- of varkensvleesch. 3 lepels
fijngesneden uien, 5 hauwen gesneden knoflook, 1 of 2 fijngesneden Spaansche
pepers, 1/2 lepel fijne djienten, 1 theelepel trassi, 1/, theelepel peper, 1
theelepel fijne laos, een paar laurierblaadjes, 1 lepel citroensap. bouillon of
water, 1 kopje melk, boter.
[9:]Een lepel uien wordt afzonderlijk in boter bruingebraden. De
overige uien worden met alle overige opgegeven ingrediënten samen fijngestampt,
daarna in veel boter (of vet) opgebraden en het vleesch met de bruin gebraden
uien er bij gevoegd. Nadat dit eenigen tijd samen gebraden heeft, doet men er
een paar kopjes bouillon of water bij en 't kopje melk (of santen), laat 't
koken tot het dik wordt, waarna men er ten slotte het citroensap over giet en
het bijgerecht warm voordient.
14.
Kalfsfrikadel.
(Droog
gebraden.)
Zes ons kalfsgehakt, 4 à 5 dunne sneedjes geweekt brood, 2 eieren, waarvan èèn slechts
de dooier, 1 theelepel peper, 1 theelepel geraspte notemuskaat, 1 lepel
fijngehakte uien, 2 fijngestampte ronde
beschuiten, zout naar smaak, boter.
Het gehakt wordt met al de ingedriënten aangemaakt. Daarvan een,
twee of meer ballen gevormd en deze in de fijngestampte beschuit gewenteld.
Daarna braadt men ze met boter, tot ze bruin zien en gaar zijn.
Maakt men deze frikadel met jus, dan braadt men eerst de boter
bruin, voegt daar een paar kopjes bouillon bij, zoomede, naar verkiezing, een
lepel soja en een paar kruidnagels.
Wil men de jus gebonden hebben, dan voegt men er een paar
gestampte beschuiten bij, die met de jus wordt gekookt, tot deze dik wordt.
[10:]
15. Lamsvleesch met kerriesaus.
Een pond lamslapjes, zout, 4 of 5 hauwen knoflook 1 1/2 volle
eetlepel kerriepoeder, 1 1/2 eetlepel citroensap, boter, 2 lepels fijngesneden
uien, (bouillon).
De lapjes worden met zout ingewreven, dan stampt men het
kerriepoeder met de uien en het knofloof te samen fijn en wrijft ook hiermede
de lapjes in. Vervolgens bakt men de lapjes aan weerszijden, in boter
lichtbruin en perst er het citroensap over.
N.B. Wil men er jus bij hebben, dan giet men wat bouillon bij de
lapjes en laat deze er nog eenigen tijd in doorstoven.
16.
Varkensfrikadel.
Zes ons varkensgehakt; overigens dezelfde ingrediënten als bij de
kalfsfrikadel met toevoeging van 3/4 theelepel kruidnagelgruis.
Men maakt, als hierboven, een, twee, of meer ballen en braadt deze
verder op dezelfde wijze.
Wil men deze heel smakelijk maken, dan doet men de ballen in een
vuurvasten schaal. die eerst met boter is bestreken, waarna men de frikadel (of
ballen) overgiet met een mengsel van gesmolten beter, een lepel soja en
bouillon, zoo, dat de frikadel hierdoor bijna bedekt is.
Toegedekt, laat men de frikadel ruim 1 1/2 uur smoren, boven een
zacht vuur en voegt er nu en dan wat bouillon bij.
Wanneer men een oven heeft is het nog smakelijker [11:] als men de frikadel,
telkens met wat nat overgietend, van boven bruin laten braden en ze, in
denzelfden vuurvasten schaal, warm opdient.
17.
Gerafeld vleesch.
(abon-abon).
Vier ons kalfsvleesch, assem water, zout, boter, of olie.
Het vleesch wordt gaar gekookt en daarna in lange reepjes
uitgeplukt, hoe fijner hoe beter. Daarna maakt men een jus van dik
tamarindewater met zout, waarmee men de reepjes vleesch goed innig vermengt.
Vervolgens braadt men het vleesch langzaam bruin, in heete boter
of olie.
18.
Babi gorèng tomaté.
Een pond gesneden varkensvleesch (zoogenaamd "haché-vleesch"),
zout en peper, boter of reuzel, 3 rijpe, in stukken gesneden tomaten, een lepel
citroensap, een theelepel suiker, een fijngesneden Spaansche peper en een lepel
soja.
Het vleesch wordt met peper en zout innig samen vermengd, daarna
in veel boter of reuzel (of half om half boter en reuzel) bruin gebaden; dan
haalt men het vleesch uit en braadt in de boter de stukken tomaten met de
Spaansche peper, de suiker en het citroensap; laat dit samen nog even fruiten
en giet dit alles over het vleesch, waarna men er ten slotte den lepel soja
over heen stort.
[12:]
19. Bebòtòk van vleesch.
(vleesch
in kopjes, dan wel in bladeren gewikkeld).
Een bordje vol fijngehakt gekookt vleesch, 2 eetlepels fijn
gesneden uien, 1/2 eetlepel fijngesneden
knoflook.
1/2 lombok, 1 eetlepel fijne katoembar, 1/2 eetlepel djienten, 1
theelepel trassi, 1/2 theelepel gewone of javaansche suiker, 1 theelepeltje
zout, dooiers van twee eieren, 5 of 6 lepels geraspte klapper, eenige (3 à 4)
djeroekpoeroet-bladeren, 1/2 lepel fijne seréh en 1 à 2 kopjes dikkesanten (of
melk).
Alle ingrediënten, behalve de santen en de bladeren,worden met
elkander fijngestampt en dit daarna innig vermengd met het fijngehakte,
gekookte vleesch. Daarna wordt deze brei met santen (of melk) aangelengd, zoo,
dat het niet te dun wordt, en in kleine mangkoks (kopjes) gedaan, niet al te
vol, en deze kopjes in een groote pan met water gezet, welk water men laat
koken. De inhoud wordt dan langzaam gaar en dik. (Au Bain Marie). Men zorge er
voor, dat het water lager is dan de rand der kopjes en dat de pan goed
dichtgedekt blijft. Is het water verkookt, dan vult men de pan weer bij.
Men kan, inplaats van kopjes, ook halfgaar gekookte koolbladeren
nemen en deze, als het vleesch er in is gedaan, met een draad dichtmaken. Dan
worden de pakjes in een vergiet gèdaan en in kokend water gestoomd.
20.
Babi goelaï-kling
Anderhalf pond aan dobbelsteenen gesneden varkensvleesch, 1
theelepel zout, 1 liter water, ½ lepel gestampte 13:] katoembar, 1/2 lepel
gestampte djienten, 11/, lepel fijn-gemalen koenjit, 5 houwen knoflook, 4
lepels fungesneden uien, 2 fijngesneden Spaansche pepers, 15 fijngehakte zoete
amandelen, 1 theekopje melk of santen, 1 lepel citroensap. Boter.
Het vleesch wordt met zout en water halfgaar gekookt; dan worden
de uien met de katoembar, djienten en koenjit samen fijngestampt en met de
Spaansche peper in boter lichtbruin gebraden, waarna men dit met alle overige
opgegeven bestanddeelen bij het vleesch voegt, dat men op een zacht vuur door
laat koken, tot het goed gaar en de saus gebonden is.
Bij het voordienen giet men er het citroensap over.
21.
Babi Kétjap.
(Varkensvleesch
met Soja).
Twee en 1/2 pond varkensvleesch, peper en zout, 4 lepels soja, 1
kopje water, 1 theelepeltje fijne djahé, 4 eetlepels fijngesneden uitjes, 2
schijfjes fijngesneden knoflook; boter of vet.
Men stampt eerst de kruiden fijn met wat peper en zout (van elk
1/i theelepel), daarna wordt dit alles gebraden tot het bijna gaar is, waarna
er het water en de soja worden bijgevoegd. Nu wordt het stuk varkensvleesch
goed ingewreven met peper en zout, daarna bruin gebraden en, als het bruin is,
telkens met de boven gemaakte jus begoten, tot het geheel gaar is.
[14:]
22. Babi koetjaï.
(Varkensvleesch
met jong look).
Twee pond varkensvleesch, aan dobbelsteenen gesneden, 4 stukjes
fijngesneden knoflook, 1/2 theelepel fijne djahé, 1/2 theelepel fijne peper, 1
theelepel zout, 4 lepels soja, een handvol fijngesneden koetjaï of jong look,
reuzel of vet, 1 kopje water of bouillon.
Het aan stukjes gesneden varkensvleesch wrijft men in met peper,
zout en djahé; daarna braadt men dit op met de 4 stukjes fijngesneden knoflook
en het look. Is dit nu goed hruin en gaar gebraden, dan voegt men er de soja en
het water (of den bouillon) bij.
N.B. Heeft men geen jong look of prei bij de hand (wegens
jaargetijde:) dan neme men hiervoor 1/2 blikje peultjes en handele men
overigens op dezelfde manier.
23.
Babi mérah.
(Rood varkensvIeesch, of varkensvleesch met roode jus).
Een á 1 1/2 pond mager varkensvleesch, aan dobbelsteentjes
gesneden, 10 afgekookte Spaansche pepers (eerst gekookt dan de pitjes er
uitgehaald), een handvol sjalotjes fijngesneden, 1 theelepel fijne laos, 2
theelepels fijne seréh, 1 eetlepel fijngesneden knoflook, 1 theelepel trassi, 2
stukjes tamarinde zonder pit (zooveel als een duiveneitje) 1/2 liter melk of 2
koppen dikke santen, 2 lepels boter, peper en zout naar smaak.
[15:]De gekookte, van pitjes met de uien en verdere specerijen
boter opgebraden in een geëimailleerd of steenen pannetje. Is dit bijna bruin,
dan wordt er het vleesch bijgevoegd en goed samen geroerd, tot het vleesch
bruin is gebraden. Daarna voegt men er, aldoor roerende bij en laat dit alles
gaar koken, tot het dik is en er rood uitziet.
24.
Babi sesaté
(Varkensvleesch aan pinnen geregen)
Een pond varkensvleesch, in dobbelsteentjes gesneden, 2 eetlepels
fijngesneden uien,3 knoflookpitten, ½ lepel koriander,1/2 lepel komijn, 1
theelepel laos, 1 à 3 Spaansche pepers, 1 theelepel trassi, 1 theelepel zout, 1
eetlepel bruine suiker, 1 lepel assemwater, 2 lepels fijne kurkuma, 1 kopje
melk of dikke santen, boter, olie of vet, 2 daon djeroekpoeroet.
De specerijen worden met de trassi en de fijngesneden uien
fijngestampt en innig vermengd met het vleesch. Daarna doet men er de melk of
santen bij en het assemwater en laat alles zoo een uurtje staan. Hierna rijgt
men de dobbelsteentjes vleesch (zes of zeven op een stokje) aan pinnen of
breinaalden, roostert het op een kolenvuur en besprenkelt het aanhoudend met de
overgeschoten jus, tot het vleesch gaar is en de jus is ingetrokken. Men draaie
de pinnen nu en dan om-en-om.
Wanneer men "babi-sesaté-koewah" wil maken, wat veel gemakkelijker
is, doet men aldus:
[16:] 25. Babi-sesaté koewah.
(Zonder pinnen).
Dezelfde hoeveelheden en ingrediënten als hierboven (no. 24)
benevens 3 djeroekpoeroetblaadjes en slechts 1 lombok.
De kruiden worden samen fijngestampt en hiermede het vleesch innig
vermengd; daarna in veel boter of vet opgebraden en aangelengd met melk (of
santen) en assemwater. Men laat dit nu goed koken, tot het vleesch gaar is en
de jus goed dik. Samen in een schaal opdienen.
26.
Biefstuk - Kétjap.
Drie of 4 kleine biefstukken, z.g. "Chateaubriands";
peper en zout, soja, boter.
De biefstukken worden in peper en zout gewenteld of er mede
ingesmeerd, daarna aan weerszijden in boter bruin gebakken en eindelijk met wat
soja met water overgoten.
Sommigen persen er nog wat citroensap over, voor den smaak.
27.
Indische karbonade met soja.
Zes of 7 stuks varkenskarbonaadjes, 1/2 kopje soja, 2 eetlepels
citroensap, 1/2 kopje bouillon, 1 theelepel zout, 1/2 theelepel peper, 1
theelepel djahé, 2 lepels boter.
Men wrijft de karbonaadjes in met zout, peper en djahé. Van de
soja, citroensap, bouillon en gesmolten [17:] boter maakt men een sausje, dat
men telkens giet over de karbonaadjes, die men te voren heeft gebraden. Men kan
de karbonaadjes droog gebraden voordienen òf met de saus overgoten.
28.
Lever met kerriesaus.
Een pond gekookte rund-, kalfs- of varkenslever, aan lapjes
gesneden. Overigens dezelfde bestanddeelen als in recept no. 15, maar geen citroensap er bij.
De bereiding is geheel gelijk aan die van recept no. 15. Ook deze
schotel (bijgerecht) kan men met of zonder bouillon gereed maken.
29.
Kalfspoulet met kerriekruiden.
Anderhalf pond kalfspoulet, 3 eetlepels kerriepoeder, 1 zout en
peper naar smaak, 2 stukjes daon salam, melk, santen of bouillon, boter.
Het vleesch wordt innig vermengd met het kerriepoeder, daarna
opgebraden en hierbij de melk, santen of bouillon gevoegd.
Wil men de jus dik hebben, dan roert men er twee eetlepels maïzena
(aangelengd met melk) doorheen.
Men laat alles koken tot het vleesch gaar en de jus goed gebonden
is.
30.
Dèndèng.
Een pond vet rundvleesch, aan zeer dunne lappen gesneden; 1 1/2
eetlepel koriander, 1 1/2 eetlepel komijn,1 theelepel trassi, 1 theelepel laos,
1 lombok, 1 theelepel [18:] witte suiker, 1 theelepel zout, 1 eetlepel dik
assemwater, 2 schijfjes knoflook, 2 eetlepels uien, beide fijngesneden.
Al de kruiden en ingrediënten worden bij elkander fijn gestampt en
het vleesch er innig mede vermengd, waarna men dit vleesch op eene plank in de
zon droogt en het af en toe omkeert.
Wil men geen drooge dèndèng hebben, (de zoogenaamde dèndèng-kring)
dan braadt men dit ingewreven vleesch dadelijk in boter of vet bruin op en
brenge dit warm op tafel (dèndèng-basa).
De drooge dèndèng wordt in den regel voor het gebruik bewaard in
blikken bussen of in stopflesschen. Als men een paar stukken gebruikt, worden
deze boven een zacht vuur even geroosterd, daarna geklopt en dan opgebraden in
boter of vet, tot ze croquant zijn.
31.
Dèndèng-àti.
Dezelfde kruiden en dezelfde bereiding als hierboven (no. 30) maar
in plaats van de dunne lappen vleesch neemt men kalfslever, aan dunne schijfjes
gesneden.
32.
Dèndèng ragi of agée.
Dezelfde kruiden en het vleesch in kleine dobbelsteentjes
gesneden. Nadat het vleesch is vermengd met de kruiden, wordt het lichtbruin
gebraden en daarbij geraspte klapper gevoegd (zie no. 30) en dit samen
opgebraden, tot alles er bruin uitziet; droog opbraden.
[19:]
33. Empal-daging.
Overgeschoten vleesch wordt aan vierkante stukjes gesneden; verder
heeft men noodig: een lepel tamarinde (assem) zonder pitten, een lepel zout en
een theelepel laospoeder, boter of klapperolie.
Men maakt van de tamarinde een papje, door dit met water, het zout
en de laos te vermengen; in dit papje wordt het vleesch aan stukjes gedaan, er
innig mede vermengd en gekneed, waarna men er het aroma een uurtje laat
intrekken.
Vervolgens neemt men het vleesch uit het mengsel en braadt het op
in boter of klapperolie - vet of kalfsvet is ook goed.
34.
Kerrieschotel van restanten vleesch.
Ongeveer een pond overgeschoten (restant) gebraden vleesch, 2
fijngesneden hauwen knoflook, 3 lepels fijngesneden uien, boter, een sneetje in
melk geweekt brood, 2 geklutste eieren, 1 kopje melk, 11/2 eetlepel
kerriepoeder, citroensap, beschuitkruim.
Uien en knoflook worden met het kerriepoeder samen fijngestampt en
in boter opgebraden.
Het vleesch wordt fijn gehakt, vermengd met het uitgeperste
geweekte brood, de eieren en de melk, waarna men dit met de gebraden uien enz.,
door elkaar roert.
Nu doet men in een vuurvast schaaltje wat boter, doet de massa
hier in, giet er het citroensap over, strooit over alles wat beschuitkruim en
doet het schaaltje in [20:] den warmen oven. Laten braden, tot de korst van
boven bruin is.
35.
Sesaté-pentoel.
(van kip of van vleesch.)
Daar in Holland zeldzaam kip wordt genomen, hebben we het recept -
dat overigens gelijk is – opgegeven voor vleesch.
Een half pond gehakt kalfsvleesch, 1/4 geraspte, bruin gebraden
klapper, 2 hauwen knoflook, 1/2 lepel katoembar, 1 theelepel djienten, 1/2
theelepel peper, een theelepel rauwe trassi, 1 theelepel zout, een papje van
tamarinde-water (twee lepels), een stukje Jav. suiker, santen van klapper of
melk, een ei.
Het gehakt wordt met klapper, katoembar, djienten, peper en wat
zout door elkander gemengd. Van de trassi, assem, zout en suiker wordt, met
water, ook een mengsel gemaakt en dit, met een half geklutst ei door het gehakt
geroerd. Daarna maakt men er balletjes van, die men aan pinnen steekt.
Het resteerende geklopte ei vermengt men met een paar lepels santen,
welk vocht gebruikt wordt om de balletjes te besprenkelen, terwijl deze worden
geroosterd.
36.
Sesaté Lombok.
Twee ons kalfsgehakt, 1 lepel kerriepoeder, 1 theelepel zout, 3
lepels fijngesneden uien, 2 hauwen knoflook, 1 ei, 1 stukje geweekt brood,
boter of olie, 10 stuks uitgehaalde spaansche pepers, geklopt eiwit.
[21:] Het gehakt wordt aangemaakt met het kerriepoeder en de samen
fijngestampte kruiden, uien, het ei en ’t geweekte brood. Hiermede vult men de
Spaansche pepers op, waarvan men de steeltjes niet heeft afgenomen. Men
besmeert het gehakt (in de lomboks) met wat geklopt eiwit en bakt daarna de
lomboks lichtbruin, in heete boter of olie.
37.
Smoor-otak.
(gestoofde hersens).
Een of twee runderhersens, 2 à 3 kruidnagels, zout, peper, 2
lepels fijn gesneden uitjes of eenige sjalotjes, 1/2 kopje soja, 2 koppen
bouillon, beschuitkruim en boter.
Men kookt eerst de hersens en kan deze - koud zijnde - aan
schijven snijden; inwrijven met de specerijen, in boter braden. Zijn ze bijna
geel, er de sjalotjes bijvoegen en opbraden, daarna er de soja en bouillon met
de beschuitkruim bijdoen, op een zacht vuur laten doorsmoren, tot alles
gebonden is.
38.
Rempah-daging.
Twee ons fijngehakt rundvleesch, 2 theelepels fijne seréh, 1
theelepel zout, 1/2 theelepel peper, 3 lepels assem-water, 2 salam bladeren en
2 djeroekpoeroetbladeren, 1 kopje melk of santen kentel, 1 ei, boter of olie.
Het gehakte vleesch wordt met al de opgegeven specerijen en
bladeren opgebraden en, al roerende, een kopje gewoon water toegevoegd. Is dit
water opgekookt, dan [22:] wordt er een kopje melk (of santen kentel)
bijgevoegd.
Ook opbraden tot alles droog is. Dan haalt men het vleesch er uit,
werkt er het rauwe ei door, maakt hiervan balletjes, die men in boter of olie
bruin braadt.
39.
Otak-assem-garem.
(hersens, peper, zout en tamarinde).
Hersens, peper, zout, tamarinde, water, boter of klapperolie.
De gekookte hersens worden aan schijven gesneden en deze
ingewreven met peper en zout. Men maakt van. tamarinde, zout en water een dik
papje en haalt hier de schijven hersens door, waarna men ze in boter of kokend
heete olie bruin braadt.
(In het algemeen geschiedt al de toepassing van
"assem-garem" op dezelfde wijze, 't zij men vleesch, varkensvleesch,
lever, hersens of kip bereidt. Al die assem-garem gerechten gelijken op
elkander; alleen verschilt de vleesch-soort).
40.
Indische haché van overgeschoten
vleesch.
Vier ons haché-vleesch of een bord vol overgeschoten vleesch van
den vorigen dag - aan stukjes gesneden, 4 à 5 lepels fijngesneden uien, 2
laurierbladeren, 5 kruidnagels, peper, zout en een stukje foelie, een kwart
kopje azijn en een half kopje soja. Beschuitkruim, boter of olie en water.
Eerst wordt het vleesch in veel vet bruin gebraden, [23:] dan uit
de pan gehaald; daarna, in 't zelfde vet, de uien braden en, als deze geel
zijn, het vleesch, met alle kruiden, de azijn en de soja er bij voegen, met wat
water, en dit alles laten smoren. Binden met beschuitkruim; (c.q. met maïzena).
Men kan er, voor den lekkeren smaak, een theelepeltje suiker bijvoegen. Sommige
menschen willen de haché eenigszins zoet hebben.
41.
Masak-goeri van vleesch.
Twee pond rundvleesch, 1/2 liter water, 2 lepels katoembar, 1
lepel djienten, 1/2 lepel laos, 1 theelepel kentjoor, een klein stukje trassi,
2 lomboks zonder pitjes, I/, klapper, geraspt en bruin gebraden, 1/2 liter melk
of santen, peper en zout naar smaak.
Men snijdt het vleesch aan stukjes en kookt dit met 1/2 liter
water; schuimt het af. Dan worden de kruiden allen bij elkander fijngestampt en
het vleesch er nog eens mede opgekookt. Vervolgens doet men er de melk en den
geraspten bruin gebraden klapper doorheen en dit samen opkoken, tot de saus
gebonden is.
42.
Kaber-kebertoe.
(Restanten vleesch in
eierstruif).
Overgeschoten vleesch, fijngehakt met 2 lepels fijngehakte ham of
spek, 4 of 5 eieren, 2 lepels fijngesneden prei of uien, 1 lepel katoembar, 1/2
lepel djienten, ½ theelepel peper, 1 1/2 theelepel zout, 1 theelepel fijne
seréh, 3 of 4 lepels melk (of santen), boter, slaolie of rundervet.
Het vleesch wordt eerst met de verschillende kruiden door elkaar
geroerd en aldus droog opgebakken.[24:] Nu bakt men den eierstruif, waartoe
eerst de eieren met de melk of santen, zout en peper zijn aangemaakt. Is de
struif nagenoeg gereed, dan wordt er het vleesch midden in gedaan, de struif
toegevouwen en deze verder gebakken, tot ze bruin is.
43.
Ajam panggang.
(geroosterde kip).
Een jong haantje; peper, zout, soja, gesmolten boter, een kippen
veer op penseel.
Een schoongemaakte kip laten opensnijden en platdrukken,
vervolgens met zout en peper inwrijven. Nu neemt men 1/2 kopje soja en 1/2
kopje gesmolten boter, roostert de kip boven een vuurtje of in den oven en
bestrijkt ze aanhoudend met de vermengde soja en boter tot ze bruin ziet en
gaar is. De kip draait men om en om.
44.
Ajam besengèk.
Een jonge schoongemaakte kip; 20 sjalotten, 5 knoflookpitten, 2
lomboks, 1 eetlepel katoembar, 1 eetlepel djienten, 1 eetlepel laos, 1
theelepeltje trassi, 2 theelepels suiker, 2 à 3 theelepels tamarindewater, 3 kopjes
melk of santen, boter.
De kip wordt in den rug opengesneden en zoo plat mogelijk
gehouden, met peper en zout ingewreven, in een platte pan gedaan met iets
zwaars (steen) er op, want de kip moet plat blijven en aan weerskanten half
bruin gebraden worden.
[25:] a. De verschillende ingrediënten en kruiden worden bij
elkander fijngestampt, even opgebraden en dan bij de kip gevoegd. Dan doet men
er 3 kopjes melk, het tamarinde-water en de suiker (ook 't verdere zout naar
smaak) bij en laat dit samen zachtjes koe~n, tot de saus heel dik is.
b. Men zet vervolgens de kIp In den oven en overgiet haar telkens
met het zeer dikke nat.
N.B. Men kan de kip geroosterd (b) (d.i. in den oven) of niet
geroosterd (a) gebruiken.
45.
Ajam gorèng assem.
Een jonge kip; assem, zout, boter of vet.
De kip wordt aan stukken gesneden; van assem en zout wordt, met
een weinig water, een papje gemaakt en hiermede de stukken kip goed ingewreven.
Vervolgens braadt men de stukken, die men eenigen tijd heeft laten liggen,
opdat de kip naar assem-garem zal smaken, in boter of vet op, tot ze er bruin
uitzien. Dit gerecht moet warm worden voorgediend.
46.
Zwartzuur van kip of eend.
(namaak hazepeper).
Twee jonge kippen of 1 eend, 3 groote uien fijngesneden, een
theelepel kruidnagel gruis, een theelepel peper, vier, theelepels suiker, een
stuk kaneel, een bierglas roode of witte wijn, een half bierglas azijn, twee
lepels beschuitkruim of maïzena, zout naar smaak; bouillon of water,boter.
[26:] Men snijdt de kip of eend aan stukken en deze worden met
peper en zout ingewreven en in boter bruin gebraden. De uien worden apart
gefruit in boter; daarna voegt men hierbij de azijn, de wijn, de suiker en de
specerijen.
In deze saus doet men de stukken kip of eend en laat ze zacht
stoven, terwijl men er wat bouillon of water bijvoegt. Om de saus te binden,
doet men er kruim of maïzena bij.
(Maakt men in Indië
zwartzuur, dan meent men in plaats van wijn bessensap, doet er minder
azijn bij, doch voegt er een half kopje soja aan toe.)
47.
Ajam kerrie.
Een kip, twee theelepeltjes katoembar, een theelepel djienten,
drie lepels fijngesneden uien, vier knoflookpitten, twee lomboks, een volle
theelepel laos, twee theelepels fijne seréh, twee theelepeltjes kurkumapoeder,
een liter melk, peper, zout en boter.
De kip wordt aan stukken gesneden en met peper en zout ingewreven.
De kruiden worden fijngestampt en met de melk opgezet, maar ongedekt op een
zacht vuur gekookt, anders schift de melk. Nu en dan, onder het koken, zacht
roeren, waarna de stukken kip er bij worden gevoegd. Deze kerrie laat men
koken, tot ze een dikke saus is geworden.
Enkele verkiezen de kerrie zoo lang te laten koken, tot ze geheel
droog gekookt is.
[27:]
48. Ajam rietja.
Een opengespouwen kip, acht lomboks zonder pitjes of twee
theelepeltjes sambel-oelek, een theeschoteltje vol fijngesneden uien, drie
stukjes knoflook, een theelepel trassi, een theelepel zout, een papje van assem
met melk.
Men wrijft de kip in met zout en roostert haar daarna. Vervolgens
doet men de met elkander vermengde en fijngestampte specerijen en uien in het
gereedgemaakte papje van assem en melk en besprenkelt hiermede vervolgens de
kip om-en-om, terwijl men deze roostert.
Zoo voortgaan tot het papje op is en de kip bruin geroosterd is.
49.
Abon-abon van kip.
Een kip, assem water met zout, boter of vet.
De kip wordt zeer gaar gekookt, waarna het vleesch aan fijne lange
repen wordt afgenomen. Overigens als abon-abon van vleesch. (Zie no. 17).
50.
Ajam kodok.
Een kip, (niet te jong). Zes à acht sjalotjes, een handjevol
peterselie, een theelepel peper, zout naar smaak, drie eierdooiers, een stukje
brood geweekt in melk, een lepel fijngesneden augurkjes in 't zuur, twee lepels
soja met een half kopje bouillon aangelengd, vier lepels boter.
Men zorge, bij het gebruik, dat het vel der kip ongeschonden is;
dit vrage men den poelier. Dan snijdt [28:] men de kip voorzichtig op den rug
open en trekt er behoedzaam het vel af, zoo danig, dat dit in zijn geheel
blijft. Vervolgens snijdt men van de kip al het vleesch af en maakt men hiervan
met de specerijen, het geweekte brood en de eierdooiers een gehakt
gereed,waarbij men ook de gehakte sjalotjes, peterselie en augurkjes voegt. Met
dit gehakt vult men het vel weder op, zoodat het weer den vorm van eene kip
verkrijgt, en naait dit vel dicht.
Met een paar lepels boter wordt nu de kip in een vuurvasten
schotel gedaan en zoo in den oven geplaatst.
Daarna doet men er wat soja met bouillon bij. Als de kip begint te
zwellen, moet men er nu en dan met een stopnaald in prikken, anders barst ze
uit elkaar.
Men moet de kip voorzichtig keeren, opdat ze aan weerskanten er
mooi lichtbruin uitziet; nu en dan met de jus besprenkelen en overgieten.
51.
Ajam tjendawan.
Een kippetje, aan stukken gesneden, peper en zout, boter, een blik
champignons, 2 lepels soja, 1 lepel citroensap, bouillon of water.
Het schoongemaakte, aan stukken gesneden hoentje wordt met peper
en zout ingewreven en dan in boter bruin gebraden. Men haalt de champignons uit
't blik, (behoudt het water!) snijdt ze in tweeën, bakt ze in boter lichtbruin,
doet er daarna de soja, het citroensap in 't champignon-nat bij, laat hierin de
stukjes kip opstoven, desnoods onder bijvoeging van 1 kopje bouillon of water.
[29:]
52. Bebòtòk ajam.
Een kip, schoongemaakt, aan stukken gesneden en het vleesch
ontdaan van de beenderen, 2 geklutste eierdooiers, 1 kopje santen, 4
fijngesneden hauwen knoflook, 2 lepels fijngesneden uien, 8/, lepel fijne
katoembar, 1/2 lepel fijne djienten, 1 theelepel fijne laos, lis theelepel
trassi (1 fijngesneden Spaansche peper), zout, soja, citroensap, halfgaar
gekookte koolbladeren - of kopjes.
Het kippenvleesch wordt fijngehakt, de kruiden bij elkander
fijngestampt en met het vleesch, de dooiers, peper en zout, tot gehakt verwerkt
en dit aangelengd met wat melk (of santen).
Nu neemt men telkens een hoeveelheid van dat gehakt, doet het in
een koolblad of in een kopje. Het blad wordt toegevouwen met een touwtje of
houten speldje. De pakjes worden boven wasem gaar gestoomd. De kopjes worden in
warm water gaar gestoomd.
53.
Rempah-ajam.
Een kip, een halve geraspte klapper, drie lepels fijngesneden
uien, vier knoflookpitjes, een lombok zonder pitjes, twee theelepels katoembar,
een theelepel djienten, anderhalve theelepel laos, drievierde theelepeltje
suiker, een theelepel trassi, een theelepel zout, boter of klapperolie, twee
eierdooiers.
Het vleesch wordt van de kip afgehaald, fijngehakt en dit vermengd
met de fijngestampte specerijen, den geraspten klapper en de beide eierdooiers.
Als dit goed [30:] vermengd is, maakt men er drie- of vierhoekige platte
koekjes van, ter grootte van een rijksdaalder. Deze koekjes braadt men bruin in
heete olie of boter. Men dient ze warm op.
54.
Ajam petjel
Een kip, acht kemiries (gepofte), een lombok, twee theelepels
trassi, drie knoflookpitten, een theelepel zout, nagenoeg een theelepel vol
kentjoor, een handje vol selderijblaadjes, een kopje melk of santen, een lepel
citroensap, peper.
De kip wordt met peper en zout ingewreven en daarna geroosterd.
Men kan deze kip op drie wijzen behandelen en voordienen, n.l.: de
kip in haar geheel, de kip in stukken of al het vleesch van de kip afgenomen en
gerafeld.
Men stampt de kruiden bij elkander en kookt dit in de melk of
santen even op, tot het dik wordt. Dit sausje giet men over de geroosterde kip
of over de stukken kip, dan wel over het gerafelde vleesch. Vervolgens
besprenkelt men het gerecht met wat citroensap. De schotel wordt versierd met
kleine selderijblaadjes en desgewild, met zeer dun gesneden plakjes komkommer.
55.
Ajam bawang.
Een kip, twaalf kleine sjalotjes, vier stukken (hauwen) knoflook,
fijngesneden, een theelepel gemberpoeder, een theelepel samboel-olek, een
theelepel laos, een half kopje [31:] azijn, een kwart kopje soja, eenige kopjes
water, zout, boter of klapperolie.
De kip wordt in haar geheel goed bruin gebraden.
De sjalotjes worden in haar geheel gelaten en met de overige
fijngestampte en met elkander vermengde specerijen bij de kip gedaan en samen
opgebraden. Daarna voegt men er de azijn en de soja bij en smoort dit langzaam,
nu en dan er wat water bijvoegend, tot de kip gaar is.
56.
Ajam laksa.
Een jonge kip, een ons laksa, vijf lepels fijngesneden uien,
eenige peperkorrels, vier lepels azijn, twee lepels madera wijn, twee hard
gekookte eieren, bouillon of water, peper, zout, boter of klapperolie.
Men weeke te voren de laksa. De kip wordt in stukken gehakt, met
peper en zout ingewreven en in boter of olie bruin gebraden. Hierna fruit men
de uien, doet deze bij de kip, met de laksa, de peperkorrels, de azijn, de
madera en de bouillon. Men laat dit te samen nog even smoren. Wordt de kip
voorgediend, dan doet men de stukjes netjes in 't midden van een schaaltje,
daarop de in vierdeparten verdeelde hard gekookte eieren en daar overheen de
jus met de laksa.
57.
Masak goeri van kip.
Een groote kip; overigens dezelfde bestanddeelen als onder no. 41.
[32:] De kip wordt aan stukken gesneden en ondergaat verder
dezelfde behandeling als het vleesch onder no. 41.
58.
Ikan assem-garem.
Eenige mooten rauwe visch, (schelvisch b.v.) tamarinde, zout,
boter, (soja, citroensap).
De mooten visch wrijft men goed in met een papje van tamarinde
(assem) en zout, waartoe de pitten uit de tamarinde worden verwijderd - méér
tamarinde dan zout.
Als men de ingewreven visch een uur heeft laten staan, bakt men de
mooten aan weerszijden in boter lichtbruin.
Sommigen gebruiken, bij het gebruiken van deze visch, ook soja en
citroensap, ja, enkelen nemen er ook sambel-oelek bij.
59.
Ikan kemirie.
(Vischgerecht).
Eenige mooten visch (schelvisch, makreel, of zelfs garnalen),
twintig kemiriepitten of voor 10 centen curaçaosche amandelen, tien afgekookte
lomboks, zes knoflookpitten, een halve lepel djienten, een lepel katoembar, een
theelepel laos, een klein stukje trassi, citroensap of assemwater, 1/2 liter
melk, boter of klapperolie.
Na de visch goed met peper en zout te hebben be-werkt, kan men
haar bakken of wel koken. Als men zekookt, moet het vleesch gerafeld worden.
[33:] De opgegeven kruiden worden bij elkaar fijngestampt, liefst
in een steenen pan, daarna lichtbruin gefruit en er vervolgens de melk
bijgedaan. Men laat dit even opkoken (opborrelen, tot het wat gebonden wordt),
doet er dan de visch in met het assemwater of het citroensap. De saus moet er
rood uit zien en gebonden zijn.
60.
Ikan brènkès
(Geroosterde
visch
Gaar gekookte visch; de bladeren van een savoiekool, die men eerst
door kokend water heeft gehaald en daarna droog afgewreven, twintig sjalotten,
vier stukjes knoflook, drie lomboks zonder pitten, een theelepel langkwas, een
lepel bruine suiker, een theelepel trassi, anderhalve theelepel zout, een kopje
melk, citroensap.
Men stampt eerst de kruiden met elkander fijn, dan doet men een
laagje van deze fijngestampte kruiden op een opengemaakt koolblad, plaatst op
de kruiden een laagje gekookte visch (niet te veel of te dik) hierop weder een
laagje kruiden; besprenkel dit met wat citroensap en melk, vouw den inhoud
dicht, maakt er pakjes van en sluit dit met een bieting (dat zijn Indische
houten pennetjes als onze spelden, in Indische winkels te koop).
Men roostert deze pakjes aan weerszijden, tot ze bruin zijn.
61.
Ikan koebis.
(Vischgehakt in koolbladeren).
Een gekookte schelvisch van middelmatige grootte, 4 lepels
fijngesneden uien, 5 fijngesneden hauwen knoflook, [34:] 1 volle theelepel
fijne laos, 2 fijngesneden Spaansche pepers, 1 theelepel trassi, 4 à 5 lepels
boter, 1 eetlepel bruine suiker, (soja, citroensap).
De visch wordt schoongemaakt, gekookt en, als ze bijna gaar is,
van de pan afgezet en van de graat
ontdaan. Dan wordt het vischvleesch met de hand fijngerafeld.
Al de kruiden (behalve de suiker) worden samen fijngestampt, in de
boter gebraden, waarna er de suiker wordt bijgevoegd.
De koolbladeren kookt men te voren in zout en water,half gaar.
Nu mengt men de visch met de gebraden kruiden door elkaar, waarna
men in elk blad een lepel visch doet, het blad met een stokje toevouwt en de
pakjes in den oven bakt of boven een vuurtje roostert, tot ze er lichtbruin
uitzien.
Soja en citroensap kunnen naar verkiezing erbij worden gebruikt.
62.
Ikan tjoeka.
(Visch in azijn en kruiden).
Hiervoor neemt men: bot, kabeljauw, schelvisch en dergelijke. Een
eetlepel fijngesneden knoflook, twee à drie lomboks, een eetlepel fijne gember,
een halve eetlepel fijne kurkuma, een kopje azijn, boter of slaolie, zout en
een steenen pannetje.
[35:] Men stampt de specerijen te samen fijn en bakt ze in een
steenen pan, in slaolie, bruin.
Men snijdt ,vervolgens de visch aan mooten, zout ze goed in en
bakt ze in boter bruin.
Nu voegt men de azijn bij de bruin gebraden specerijen, kookt dit
even op en doet er daarna de gebakken mooten visch bij en laat dit koud worden.
Zoo kan men deze visch (vischzuur) in keulsche potten, goed
dichtgedekt, wel wekenlang zonder bederf bewaren. Men moet den pot stevig
dichtkurken. (Zie no. 169, van gebakken ijbokking).
63.
Ikan brèngkès haring.
Vier haringen, 4 Spaansche pepers, (zonder pitjes), 3 lepels
fijngesneden uien, 3 hauwen knoflook, 1 1/2 theelepel fijne temoekoentji, 3
lepels dik assem water, boter of olie, drooge pisangbladeren.
Men stampt al de specerijen en kruiden met elkander fijn en roert
het assemwater er door.
De haringen worden van de koppen ontdaan, verder goed
schoongemaakt en het vleesch van de graten genomen en fijn gemaakt. Dit vleesch
vermengt men met de kruiden.
Nu maakt men er rolletjes van, wikkelt deze in pisangbladeren en
roostert ze boven een vuurtje.
Men kan ze ook in den oven aan weerskanten bruin bakken, (in dit
geval, niet in pisangbladeren).
64.
Ikan brèngkès soerabaia, of ikan brèngkès kloewak.
Dezelfde bestanddeelen als bij de ikan brèngkès, maar [36:] met
toevoeging van tien kemirie- en vijftien kloewakpitten en zonder assemwater en
suiker.
De bereiding is als onder no. 60; de kloewak- en
kemiriepitten worden uitgehaald en met 't overige fijngestampt,
enz.
65. Ikan otat otat.
(Gevulde of gefarceerde visch).
Een middelmatig groote visch, een halve geraspte en droog gebraden
klapper, een lepel katoembar, een halve lepel djienten, een lombok, een
theelepel trassi, twee theelepels zout, een theelepel peper, een ei, een lepel
assem, een theelepel suiker, een half kopje melk, boter.
De visch wordt, evenals met de kip 't geval is (zie no. 50) het
vel achter den kop opengesneden en voorzichtig van het lichaam afgestroopt.
Daarna ontdoet men de visch van de graten en hakt ze fijn.
Men stampt den gebraden klapper met de kruiden samen fijn en
braadt dit even op. Koud geworden, doet men hierbij het ei, de melk en het
gehakte vleesch van de visch en maakt hier gehakt van, waarmede het ongeschonden
vel van de visch wordt opgevuld (niet te vol maken). Vervolgens neemt men een
vel wit papier, legt er de visch op en roostert deze in den oven bruin.
66. Ikan mangat.
Makreel, kabeljauw, schelvisch of baars - geen platte vischsoort -
tien kemiries, zestien afgekookte lomboks, [37:] een theelepel trassi, een
theelepel geraspte laos, een theelepel kentjoor, een theelepel temoekoentji,
drie lepels fijngesneden uien, 1/2 liter melk, zout, boter.
Men braadt de visch in haar geheel. De kruiden worden samen
fijngestampt en in de melk gekookt, tot ze rood zien en de olie er uit komt.
Daarna wordt de dikke, gebonden saus over de visch gegoten en deze schotel
aldus voorgediend.
67. Ikan terie.
(Zeer kleine spierinkjes).
Men koopt deze kleine vischsoort in Indische winkels, b.v.
anderhalf ons; olie.
Men bakt de vischjes op in de olie, tot ze bruin zijn
en dient ze zoo voor, als bijgerecht.
68. Blinjé.
Dit zijn zeer kleine rolletjes zoute visch, gedroogd en zéér
hartig, hebben den vorm van onregelmatige knikkertjes. Men koopt ze in Indische
winkels. Hiervan neemt men b.v. 2 of 2 1/2 ons, verder het wit van twee of meer
eieren, (naar mate de hoeveelheid blinjé), olie of boter.
De rolletjes blinjé worden door het geklopte eiwit gehaald en in
kokende olie of boter gebakken, tot ze lichtbruin zien.
Bij het gebruik met rijst, neemt men er een of twee stukjes van,
daar dat gerecht zéér zout van smaak is.
[38:]
69. Ikan mérah.
(Makassaarsche
roode vischjes).
Worden in Indische winkels, in flacons of flesschen verkocht. Men
neemt een hoeveelheid uit de flacon, b.v. 1/2 schoteltje vol, maakt de vischjes
schoon, plaatst ze in een schaaltje, doet er azijn bij met lombok en giet er,
door een zeef, wat van het eigen roode vocht over. Men doet er wat gesneden
uitjes en lombok op.
70.
Oedang tjaé.
I. Twee ons rauwe gepelde garnalen, 4 lepels fijngesneden uien, 3
fijngesneden hauwen knoflook, 1/2 Spaansche peper fijngesneden, 1 theelepel
fijne kentjoor, 1 theelepel fijne djahé, 3/4 theelepel fijne peper, 1 12
theelepel
zout, 1 ei, boter of olie.
II. Drie lepels fijngesneden uien, 4 fijngesneden hauwen knoflook,
2 lepels fijngesneden prei, 1 theelepel fijne kentjoor, 1 theelepel djahé, 1/2
theelepel fijne peper, 1 theelepel zout, bouillon, boter of slaolie.
la. De garnalen worden fijngehakt, al de kruiden tesamen
fijngestampt, hiermede de gehakte garnalen vermengd en het rauwe ei er
doorgemengd. Men maakt van het deeg balletjes en bakt deze bruin in boter of
olie.
IIa. De kruiden worden samen fijngestampt (behalve de prei) en opgebraden.
Dan voegt men er 1/2 liter bouillon bij en de prei en kookt dit alles samen op,
[39:] waarna men er de garnalenballetjes (in la beschreven) in doet, laat dit
alles nog even doorkoken, waarna men dit bijgerecht warm bij de rijst kan
voordienen.
71. Oedang tjoeka.
(Garnalen in azijn en kruiden).
Drie ons gepelde, gekookte garnalen; overigens dezelfde
bestanddeelen als bij de Ikan tjoeka, ook de bereiding. (Zie no. 62).
72.
Pèpès-zalm.
Een half blikje zalm, 6 uitgehaalde kemiries (of 10 à 12 katjang
gorèng) 4 Spaansche pepers zonder pitten, 1 theelepel fijne temoekoentji, 1/2
theelepel zout, 1 theelepel assem (aangemaakt) 2 lepels fijngesneden uien, 3
hauwen knoflook, gedroogde pisangbladeren (of koolbladeren), boter of olie.
Behalve de visch worden al de ingrediënten samen fijngestampt en
dan door de aangemaakte assem geroerd. Nu doet men op een stuk pisangblad of op
een tevoren half gaar gekookt koolblad een laagje zalm en daarop een laagje
kruiden. Men vouwt 't pakje dicht en als zoo al de pakjes gereed zijn, roostert
men ze, na vooraf met boter of olie te zijn bestreken of men bakt ze in boter
of olie.
73.
Garnalenkoekjes.
Een bordje vol gepelde gekookte garnalen, een theekopje tarwemeel,
een kopje melk, de dooier van een ei; de volgende kruiden: een eetlepel
katoembar, twee lepels [40:] fijngesneden uien, een knoflook pit fijngesneden,
een theelepeltje laospoeder, een eetlepel fijngehakte peterselie, twee
theelepels zout, boter.
Men hakt de garnalen fijn met de uien, knoflook en peterselie. Vervolgens
doet men er de met elkander gestampte specerijen en kruiden doorheen. Nu lengt
men het meel met de melk aan, dat er een pap komt en doet er een eierdooier
doorheen.
Dit alles wordt met de garnalen enz. goed door elkaar gemengd, tot
er een dikke brij van komt. Hiervan neemt men kleine hoeveelheden,
lepelsgewijze, welke in heete boter (of olie) worden gebakken. Deze koekjes
worden warm opgediend.
74.
Frikadel van kreeften.
Men neemt een blikje kreeften en neemt van deze al het vleesch af;
een eierdooier, peper, zout en notemuskaat naar smaak, eenige sneetjes brood in
melk geweekt, beschuitkruim en boter.
Het kreeftenvleesch wordt gehakt en met de specerijen, het brood
en den eierdooier goed door elkander gemengd; hiervan maakt men kleine
frikadellen, die men door geklopt eiwit haalt, in beschuit kruim wentelt en in
heete boter lichtbruin bakt. Warm worden ze ter tafel gebracht.
75. Frikadel van gehakte
garnalen.
Een pond gekookte gepelde garnalen, overigens dezelfde
bestanddeelen als hier voren, maar één ei meer, ook iets [41:] meer brood en
met toevoeging van gehakte peterselie en geklopt eiwit.
De bereiding is als hierboven; worden er balletjes gehakt van
gemaakt, dan worden deze door geklopt eiwit gehaald en daarna in heete boter
lichtbruin gebraden.
Warm voordienen. Men versiere den schotel met kleine groene
peterselieblaadjes in 't rond.
76.
Gebakken of geroosterde scharren.
(namaak ikan-spat.)
Een zesal scharren, boter.
Men weekt de scharren een nacht in het water, haalt er den
volgenden dag het harde vel af en laat ze op een vergiet afdruipen, tot ze
droog zijn. Men veegt ze daarna af met een schoonen doek en bakt ze daarna in
heete boter bruin.
77. Rempah-oedang.
Anderhalf ons fijngehakte garnalen, 2 Spaansche pepers, 1
theelepel laos, 4 hauwen knoflook, 1 lepel kerriepoeder, boter of olie,
(santen), 1 ei.
Dezelfde bereiding als van de rempah-daging. (No. 38.) Ook hiervan
maakt men dus balletjes (rempah genaamd.)
78. Sardijntjies-gorèng.
Men opent een blikje sardijntjes, haalt de vischjes er uit, en
bakt ze (voorzichtig!) om en om, aan beide kanten lichtbruin, in de eigen olie.
[42:] Sommigen voegen nog wat boter bij de olie.
79. Troeboek, gebakken.
Men neemt één plak telor-troeboek, en klapperolie.
De troeboek wordt eerst met een mes droog afgekrabt en
schoongemaakt, de vezeltjes en draden er afgenomen, waarna men de troeboek in
heete olie bakt. Men dient dit gerecht, aan
stukjes gesneden, op.
80.
Dadar.
(Gewone Indische eierstruif).
Vier eieren, twee lepels fijngesneden uien, een halve lombok
fijngesneden, een theelepel zout, 1/2 theelepel peper, boter of versche
klapperolie. (Wil men den struif mooi hebben, dan wordt het geel en het wit van
de eieren afzonderlijk geklopt.)
De uien worden met de lombok gebakken; daarna
klutst men het reeds geklopte wit en geel bij elkaar, doet hier
peper en zout door en bakt de eieren in kokende boter. Zoodra de struif bijna
gaar is, begint te stollen, strooit men er de gebakken uien en lombok overheen
en vouwt den struif dicht. Daarna bakt men den struif nog even aan den anderen
kant.
81. Mata sapje
(Spiegeleieren.)
Vier of vijf eieren, peper en zout naar smaak, boter.
[43:] Men smelt de boter in een pan en is deze goed heet, dan
breekt men de eieren en giet den inhoud in de pan om. Men bestrooie de eieren
met peper en zout. Die hard gebakken spiegeleieren wil hebben, keere de eieren
nog eens om.
N.B. Spiegeleieren voor zieken, die geen boter of peper mogen
gebruiken, maakt men aldus: Men neemt een ijzeren braadpan (wadja), kookt er
water in en als dit op kookhitte is, stort men er den inhoud der eieren vlug
in. Men bestrooit de eieren dan alléén maar met wat zout.
82. Omelet met ham.
Vier of vijf eieren, 1/2 ons ham fijngesneden, vier lepels melk,
twee theelepels maïzena, peper, zout en notemuskaat naar smaak, boter.
De eieren worden geklopt en vermengd met de specerijen, zoomede de
maïzena, die met de melk is aangelengd. Dan braadt men den struif in een heete
pan met boter en rangeert er de gesneden ham over heen. Begint de struif dik te
worden en te stollen, dan vouwt men hem op en keert hem, om aan den anderen
kant ook bruin te worden gebraden.
83. Dadar-oedang.
Dezelfde ingrediënten als hierboven, maar, in plaats van ham, een
ons gehakte gekookte garnalen en een lepel fijn gehakte peterselie.
[44:] Bereiding geheel gelijk als hierboven (No. 82).
84.
Amé kemoeté.
Zes eieren, twee lepels fijngesneden uien, vier schijfjes
knoflook, fijngesneden, twee theelepels kurkumapoeder, een half theelepeltje
sambel-oelek, anderhalve theelepel zout, een á twee kopjes melk of santen, twee
lepels dik assemwater.
De eieren worden half gaar gekookt, (plm. 3 minuten). gepeld en
nog warm zijnde, voorzichtig plat gedrukt, (zoo dat zij niet barsten en
opengaan). Nu wordt de melk met de specerijen gekookt. Daarna voegt men er de
gekneusde eieren en het dikke assem water bij, en laat dit al roerende samen
koken, tot alles dik begint te worden.
85.
Telor-kerrie kling.
(Eierschotel
met Bengaalsche kerriesaus).
Tien hard gekookte, gepelde, half doorgesneden eieren, 2 lepels fijn
gesneden uien, 4 fijn gesneden hauwen knoflook, 21/i lepel kerriepoeder, 1/2
theelepel kruidnagelgruis, 1 theelepel mosterd, 4 lepels afzonderlijk gebraden
uien, 2 lepels maïzena, 1 1/2 kopje melk, zout, boter, bouillon.
De fijn gesneden uien en het knoflook worden met kerriepoeder,
monsterd en kruidnagelgruis samen fijn gestampt, even in boter opgebraden, een
kopje bouillon er bij gegoten, waarna men dit zacht. laat stoven.
[45:] De maïzena mengt men met wat melk aan en roert deze door den
bouillon heen. Als deze dik wordt, wordt deze dikke saus over de gehalveerde,
op een schotel gerangeerde, eieren gegoten.
Men dient dit eiergerecht warm, bij de rijst op.
Ter garneering van dezen schotel strooit men over de eieren de
afzonderlijk gebraden uien.
86.
Eieren met kerriesaus.
Vier hard gekookte eieren, een halve liter melk, twee lepels
kerriepoeder, zout en peper naar smaak, een lombok in de lengte doorgesneden,
twee lepels fijngesneden uien, vier gesneden knoflookpitten, twee
salambladeren, een halve theelepel trassi, boter of palmin.
Met uitzondering van de lombok en de salambladeren worden de
kruiden samen gestampt en even in boter opgebraden. Dan voegt men er de melk
bij met de lombok en de salambladeren en laat dit samen koken tot het dik
wordt. De eieren worden in halve parten op een schaal gedaan en daarvoor de
dikke kerriejus gegoten. Men kan den schotel versieren, door hier en daar wat
gebakken uien aan te brengen.
87.
Telor asin.
(Gezouten eendeneieren).
Men kan deze gezouten eieren koopen, doch ze evengoed zelf maken.
Daartoe neemt men een pond grof zout en drie liter kokend water. Hiervan maakt
men pekel.
[46:] Als de pekel koud is, doet men er de eendeneieren in en laat
ze er drie weken in blijven.
Hoe langer in de pekel, hoe zouter van smaak.
Men kan, desnoods, ook kippeneieren gebruiken.
Men kookt de gezouten eieren als de gewone en laat ze iets langer
in het water.
Bij het voordienen van dit gerecht, worden de eieren midden door
of in vieren gesneden, over de lengte en, met de schaal er om, op de schotels
voorgediend.
88.
Tomaté-isi.
(Tomaten gevuld
met gekruid gehakt).
Acht, niet al te rijpe, tomaten, twee lepels fijngesneden uien,
twee knoflookpitten, 1/2 lombok, een theelepel trassi, een theelepel langkwas,
een theelepel katoembar, 1/2 theelepel djienten, een ei, zout, boter,
beschuitkruim, 1/2 pond kalfsgehakt.
De uien en het knoflook worden met al de opgegeven specerijen
samen fijngestampt, daarna met het gehakt en 't ei vermengd.
De tomaten worden even door warm water gehaald, van boven
uitgehold en met wat gehakt opgevuld; daarna zet men ze in een vuurvaste schaal
met boter, strooit er beschuitkruim over, doet op iedere tomaat een stukje
boter en laat ze zoo in den oven (niet te lang) lichtbruin bakken.
[47:] SAJOERS (INDISCHE SOEPEN) EN KERRIE'S.
Bij de droog gekookte rijst gebruikt men in den regel een
kruidensoep, met groenten of wat anders vermengd.
Deze zijn allen min af meer sterk en aromatisch, door de lombok en
de specerijen. Er wordt één soort sajoer óf één soort kerrie bij de gewone
rijsttafel voorgediend. Evenals jus bij de aardappelen, gebruikt men sajoer bij
de rijst. De volgende soorten zijn de meest gewilde en niet moeilijk te
bereiden:
89. Sajoer assem.
Twee lepels fijngesneden sjalotjes, drie hauwen knoflook, drie
lomboks met de pitjes er in, twee theelepels zout, een theelepel rauwe trassi,
1/2 theelepel fijne laos, assemwater (een balletje assem ter grootte van een
kippenei met water aangemaakt); verder twee eetlepels rauwe gepelde garnalen en
voor plm. 5 à 6 cts. jonge spersieboontjes. - In plaats der twee laatste
ingrediënten kan men fijngesneden andijvie nemen.
Men kookt eerst de spersieboontjes gaar. De opgegeven specerijen
worden bij elkander fijngestampt. Vervolgens voegt men het assem water met de
fijngestampte specerijen bij de boontjes.
Wanneer dit even gekookt heeft, doet men er de garnalen bij en
laat dat samen nog eens goed doorkoken. (Zout geheel naar smaak).
[48:]
90. Sajoer assem tomaté.
Zes tomaten, twee lepels fijngesneden uien, vier fijngesneden hauwen
knoflook, drie Spaansche pepers, l/2 lepel zout, 1 theelepel laos, 1 theelepel
rauwe trassi, assemwater gemaakt van een balletje assem ter grootte van een
duivenei, water.
De specerijen worden samen fijngestampt en gekookt in 1/2 Liter
water. De tomaten worden, in vieren gesneden, met de specerijen in 't water
opgekookt, tot ze gaar zijn.
Dan voegt men er, naar smaak, assemwater bij en laat dit alles dan
nog eenigen tijd doorkoken.
91. Sajoer bajem.
Spinazie; twee lepels fijngesneden uien (of sjalotjes), twee
hauwen fijngesneden knoflook, een theelepel fijngesneden temoekoentji, een
theelepel trassi, naar verkiezing hierbij vier à vijf kemiries of een ons
katjang gorèng en een lombok. Zout naar smaak, melk of santen.
De spinazie wordt afgekookt, de kruiden bij elkander fijngestampt.
Van de spinazie wordt niet al het water afgegoten. maar voegt men er de melk of
santen bij, met al de fijngestampte kruiden en laat dit samen gaar koken.
92.
Sajoer boontjes, ook genaamd "Goelei boontjes".
Een bord vol fijngesneden snij- of prinsesseboontjes, bouillon van
kip of van een pond soepvleesch aan stukjes [49:] gesneden; santen van één
klapper of melk, twee volle lepels fijngesneden uien, drie of vier stukjes
knoflook, fijngesneden, een lepel katoembar, twee theelepels djienten, twee
theelepels zout, twee theelepels fijne seréh en twee laurierbladeren, benevens
twee of drie djeroekpoeroet-bladeren.
In de bouillon worden de fijngesneden boontjes bijna gaar gekookt,
- in plaats van bouillon kan men, zuinigheidshalve water gebruiken, doch dan is
de sajoer niet zoo smakelijk en krachtig. De specerijen, uitgezonderd de
aromatische bladeren, worden met elkander fijngestampt en in een pannetje met
water en melk (santen) gaar gekookt. Daarna doet men de boontjes, de bladeren
enz.en alles bij elkander en kookt dit verder gaar.
93.
Sajoer kool.
Een kleine savoiekool fijngesneden, twee eetlepels fijngesneden
uien, vier hauwen of pitten knoflook, een theelepel trassi, een halve eetlepel
zout, een of twee lomboks, twee eetlepels assemwater, een eetlepel katoembar,
santen van 1/2 klapper of 1/2 liter melk, twee eetlepels gepelde gekookte
garnalen, olie of boter.
Men stampt de kruiden met elkander fijn, terwijl de kool
intusschen bijna gaar wordt gekookt. Dan braadt men even de kruiden in boter of
olie op en doet hier de kool (zonder water) bij. Hierbij voegt men het
assemwater, roert het om en voegt er de santen of melk bij. Even voor het
opdoen, roert men de garnalen door deze sajoer.
N.B. Deze sajoer kan ook worden gemaakt zonder [50:] garnalen en
zonder katoembar; men voegt er - in dit geval - een theelepel temoekoentji bij.
94.
Sajoer lodèh-boontjes.
Een bordje vol overgeschoten prinsesseboontjes van den vorigen
dag, een fijngesneden ui, drie fijngesneden hauwen knoflook, 2 lepels boemboe
lodèh (gedroogd), welke men in de Indische toko's kan krijgen, 1 theelepel
trassi, 2 theelepels zout, 1/2 liter melk of dikke santen, 1/2 theelepeltje
suiker, boter of slaolie.
De uien en het knoflook worden samen met de specerijen en de boemboe-lodèh
fijngestampt, daarna in olie (boter) opgebraden, waarna men er de boontjes
bijvoegt. Dit nog even samen opbraden met toevoeging van een scheutje water.
Dan voege men er eindelijk de melk (of santen) bij, laat dit samen
nog even opkoken, waarna de sajoer gereed is.
95.
Sajoer lodèh, van:
Peulen, bloemkool, spersieboonen en savoiekool, van alles een
weinig; twee eetlepels fijngesneden uien, drie hauwen of pitten knoflook
fijngesneden, twee theelepels fijne laos (poeder), twee theelepels rauwe trassi,
twee theelepels zout, vijf kemiries of twintig katjang gorèngs; tien groene en
zes roode lomboks, santen van één klapper of een liter melk, olie of boter.
De groene lomboks snijdt men in de lengte door; de roode lomboks
worden, zonder de pitjes, fijngewreven.
[51:] De groenten worden in de aangemaakte santen of verdunde
melk, met het zout er bij, bijna gaar gekookt.
Men stampt vervolgens de specerijen bij elkander fijn en roert
deze er doorheen. Daarna voegt men er de groene lomboks en vervolgens de
fijngewreven roode lomboks bij, om de sajoer rood te doen zien; men kookt,
onder bijvoeging van de overgebleven santen of melk, alles samen op, tot de
groenten gaar zijn.
N.B. Men kan ook de lodèhkruiden, bij elkaar gedroogd, koopen per
lood of decagram: Men gebruike dan de helft van de gekochte hoeveelheid.
96.
Tetégé van boontjes.
Een bord vol prinsesseboontjes, drie lepels fijngesneden uien,
twee à drie pitten knoflook fijngesneden, twee theelepels temoekoentji, een of
twee lomboks, een stukje trassi, water, zout naar smaak.
Men kookt de boontjes in 1/2 liter water op, stampt de specerijen
bij elkander fijn en voegt deze bij de boontjes, tot alles gaar is gekookt;
niet te droog koken, anders water bij voegen.
Men kan op dezelfde wijze tetégé van boerenkool maken, doch dan
moet men bij de specerijen een theelepel fijne kentjoor voegen.
97.
Toemis kool.
(Variatie op no. 93).
Een halve fijngesneden witte kool, drie lepels fijngesneden uien,
zes fijngesneden knoflookpitten, vier fijngesneden lomboks, twee lepels trassi
water, drie lepels [52:] assemwater, boter, zout naar smaak en 1/2 liter water.
De specerijen worden met ekander fijngestampt en in boter gefruit;
daarna doet men er e fijngesneden kool bij en fruit dit samen, tot de kool goed
verslagen is. Dan voegt men er het trassi- en assemwater bij, laat dit even
doorpruttelen en voegt er dan het (1/2 liter) water bij.
98. Toemis boerenkool.
Wordt op dezelfde wijze bereid als hierboven, met dezelfde
bestanddeel en, doch men voegt er, als alles al gekookt is, een groote ,theekop
(pl.m. 1 ons) gepelde gekookte garnalen blj.
99.
Toemis jonge peultjes.
Ongeveer 100 jonge peulen, een ons gekookte garnalen, tien
sjalotjes, acht of zes knoflookpitten, twee á vier lomboks, een theelepel
trassi, 1/2 eetlepel fijne laos, 1/2 kopje assemwater , twee koppen bouillon,
boter, zout naar smaak.
Men haalt de peultjes af, maakt ze schoon; de sjalotjes,knoflook,
lombok, trassi en laos worden met elkander fijngestampt en in boter op gefruit.
Daarna doet men hier de peultjes bij en braadt alles samen in veel boter op,
tot de peultjes bijna gaar zijn. Dan doet men er het assemwater bij, vervolgens
de bouillon en later de garnalen en laat dit samen koken tot alles gaar is.
100.
Piendang djagoeng.
Zes à acht jonge maskolven, vijf gepofte [53:] kemiries, twee
fijngesneden Spaansche pepers, 1 theelepel zout, 1 theelepel trassi, drie
lepels dik tamarinde-(assem)-water, 2 lepels soja, bouillon of water.
De maïskolven worden in tweeën gesneden en in water met zout gaar
gekookt. De kemiries worden met de Spaansche pepers en de trassi fijngestampt,
daarna met het assemwater vermengd en dit bij de gekookte maïs gedaan, waarna
men alles samen laat doorkoken met wat bouillon en de soja.
101. Piendang serani.
Een pond kalfspoulet, twee djeroekpoeroet bladeren, 1 lepel
fijngesneden seréh, zout.
Verdere specerijen: 2 eetlepels gesneden uien, 2 hauwen knoflook,
2 gepofte Spaansche pepers, 1/2 eetlepel koenjit-poeder, 1 theelepel fijne
laos, 1 lepel trassi water, 2 lepels assemwater, boter of olie, water.
Het vleesch wordt met de bladeren, de seréh en ’t zout opgekookt.
Dan worden al de kruiden samen fijngestampt, in boter of olie
opgebraden, 't vleesch uit 't water gehaald en er bij gevoegd en nog even samen
opgebraden, waarna er het trassi- en assem water bij wordt gedaan, zoomede de
bouillon van het gekookte vleesch.
Dit samen nog even goed laten doorkoken.
102.
Piendang telor.
Zes hard gekookte en gehalveerde eieren, 2 lepels fijngehakte
seldery blaadjes, zes sjalotjes, 4 hauwen knoflook, [54:] 1 theelepel fijne
laos, melk, boter.
De uien worden met de kruiden fijngestampt en in boter opgefruit,
hierbij doet men een scheutje water, daarna de melk, dan al roerende laten
koken, waarna men er de eieren en de blaadjes bijvoegt. Alles laten gaar
worden.
103.
Piendang tiram.
Een flaconnetje oesters, 2 lepels fijngehakte uien, 5 hauwen
knoflook, 2 theelepels kerriepoeder, 1 stukje trassi, assemwater , soja, zout,
water.
De uien worden met de specerijen fijngestampt, 2 à 3 lepels
assemwater er bij gedaan met nog 1 à 2 lepels water en een scheutje soja. Laat
dit goed doorkoken en doet er dan de oesters in.
104.
Piendang van visch.
Twee kleine schelvisschen, zes in de lengte doorgesneden, gepofte
lomboks, acht stuks knoflookpitten fijngesneden, twee laurierbladeren, drie
djeroekpoeroet bladeren, twee ineengedraaide stukken seréh, een theelepel laos,
een stukje gepofte assem, zoo groot als een duivenei, zout naar smaak, water.
De schoongemaakte visch wordt aan mooten gesneden; men zet
vervolgens een pan, halfvol met water gevuld, op, waarbij zout naar smaak en
doet hierin de lomboks, de uien en de welriekende bladeren. Heeft dit samen
goed [55:] gekookt, dan doet men er de mooten visch in. Het gepofte stuk assem
wordt daarna met water aangemaakt, door deze vischsoep gedaan en alles te samen
opgekookt, tot de visch gaar is.
Velen werpen de vischkoppen weg; men kan daarvan alléén even goed
een even smakelijke piendang maken.
105.
Piendang kétjap van visch.
Voegt men bij dezelfde hoeveelheden, als hierboven, een half
theekopje soja (kétjap), dan heeft
men een aangename variatie op hetzelfde gerecht. Men doet de soja gelijk met
het assem water bij de vischsoep.
106. Kerriesoep.
Een pond soepvleesch aan stukjes gesneden of een kip, vier lepels
fijngesneden uien, drie eetlepels kerriepoeder, een bord vol gebraden kleine
frikadelletjes (balletjes gehakt), een soepbord vol geweekte laksa, een half
stukje lombok, geroosterd brood, boter, zout naar smaak, een paar hard gekookte
eieren, in vieren gesneden.
Men trekt bouillon van het soepvleesch. Twee lepels uien worden
gefruit, terwijl de twee andere lepels uien met het kerriepoeder en de lombok
worden fijngestampt en daarna met boter opgebakken. Dit kookt men nu samen op
in de bouillon en voegt er daarna de balletjes gehakt en de geweekte laksa bij
en laat dit samen een kwartier doorkoken. Men kan, om de soep te binden, er wat
maïzena bij voegen. Wanneer ze wordt opgediend, doet men eerst een of twee
stukjes ei en een stuk geroosterd brood op het bord.
[56:]
107. Kerrie van gekookte eieren.
Zes hard gekookte eieren, twee lepels fijngesneden uien,vijf
knoflookpitten fijngesneden, een theelepel trassi, twee theelepels zout, een
stuk ineengedraaide seréh, twee doorgesneden lomboks, twee laurier- en twee
djeroekpoeroetbladeren, twee volle lepels kerriepoeder, santen of melk, olie of
boter.
Met uitzondering van de bladeren worden al de kruiden bij elkander
gedaan, fijngestampt en in boter opgebraden.
Daarna doet men er de santen, de lomboks en de bladeren bij,
zoomede de hard gekookte eieren. Men kookt alles op, tot de kerrie gebonden is.
In plaats van eieren kan men ook kalfsvleesch (in stukjes) of kip nemen.
108.
Kerrie-ajam.
Een paar kuikens (halfwas kippen of soepkippetjes), 3 eetlepels
kerriepoeder, 2 eetlepels fijngesneden uien,1 eetlepel rijstemeel, 1/2
theelepel peper, zout boter, melk of santen, water.
De kippen worden schoongemaakt, aan stukken gesneden, daarna even
opgekookt. Hierna worden de specerijen met de uien en het poeder samen
fijngestampt, even opgebraden, dan de stukken kip er bij gevoegd en er water en
santen bijgedaan (plm. 1/2 Liter water èn plm. 1/2 Liter santen). Men kookt dit
op, tot de saus gebonden is.
109.
Kerrie tomaté.
Een pond tomaten, 2 Spaansche pepers, 1 lepel fijne seréh, verder
dezelfde ingrediënten als hierboven.
[57:] De tomaten worden gehalveerd en nadat de kruiden zijn
opgebraden, doet men er 't water en de santen en 't laatst de tomaten bij.
Overigens als hier boven no. 108.
110. Kerri-ikan.
Alle specerijen worden, behalve de fijngesneden uien en het
knoflook, bij elkander gedaan en fijngestampt en worden vervolgens met de
mooten visch in de santen gedaan. De uien en het knoflook worden opgebraden en
met het trassiwater bij de visch gevoegd en opgekookt. Wanneer men deze kerrie
wil opdienen, doet men er pas het citroensap bij, omdat ze anders schift.
111.
Kerrie met garnalen.
Een bord vol garnalen; twee lepels fijngesneden uien, vier
knoflookpitten fijngesneden, twee lomboks, een theelepel trassi, een à twee
theelepels zout, naar smaak, een stuk ineengedraaide seréh, 1 1/2 lepel
kerriepoeder, assemwater, santen van 1 klapper of 3/4 Liter melk, boter of
olie.
De kruiden worden met elkander fijngestampt; men braadt ze
vervolgens op in boter; als ze bijna gaar zijn, [58:] doet men er de garnalen
bij en vervolgens de santen of melk. Even vór het opdienen, doet men er het
assemwater door. Men kan ook, in plaats van dit water, citroensap gebruiken.
112. Kerrie Kodja.
Een kippetje aan stukken gesneden en een Liter water; dertig
kemiries, twintig lomboks opengesneden en eenige malen afgekookt, 1/2 eetlepel
gemberpoeder, 1 eetlepel kurkuma poeder, 1 eetlepel fijne katoembar, 1 eetlepel
djienten, acht fijngesneden knoflookpitten, 1 theelepel trassi, 1 1/2 theelepel
fijne laos, twee ineengedraaide stukjes seréh, twee djeroekpoeroet- en twee
laurierbladeren, twee lepels boter, een liter melk, zout naar smaak.
Al de kruiden, ook de kemiries, moeten - behalve de bladeren en de
seréh - bij elkander haarfijn gestampt worden, waarna zij in twee lepels boter
worden gefruit.
De stukjes gesneden kip worden met 1 Liter water opgezet en dit
tot de helft verkookt. Dan wordt dit bij de gefruite kruiden gedaan, met 1
Liter melk, (niet dekken als het kookt) en daarna de bladeren en de seréh er
bijgevoegd. Men laat dit dan langzaam doorkoken, tot het dik is geworden.
SAMBELANS EN SAMBEL GORENGS.
Een der smakelijkste bijgerechten van de rijsttafel.
Gewoonlijk neemt men er minstens twee of drie soorten van bij het
eten. Men heeft de keuze tusschen de volgende soorten:
[59:]
113. Sambel-oelek.
Zes of acht heele lomboks met de pitjes; een half theelepeltje
zout, een half theelepeltje gebrande trassi (gepofte).
Deze ingrediënten worden, nadat de lomboks zijn fijngesneden, goed
door elkander gestampt, waarna het gerecht voor het gebruik gereed is. Men doet
het op in een schaaltje en neme er niet te veel van.
114.
Sambel-oelek met kétjap - ook (òf) met
citroensap.
met citroensap.
Heeft men de sambel-oelek als hierboven bereid, dan kan men er of
soja, of citroensap overheen gieten, dit naar smaak en liefhebberij van de
bereidster.
115.
Sambel assem.
Een stuk tamarinde (assem) ter grootte van een kippenei, evenveel
]avaansche suiker, een kopje water, 2 lepels fijngesneden uien, 2 lepels
fijngesneden lombok, 1 theelepel zout.
De assem wordt met 't water tot een papje fijngemaakt, daarna in
water met suiker gekookt, tot het dik wordt. Dan worden de uien met de lomboks
fijngestampt, met het assempapje samen geroerd, dit nog eens opgekookt,
vervolgens gezift. Dan het gezifte nog eens opgekookt, tot het een dikke
sambelan wordt. In goed afgesloten fleschjes kan men deze sambel lang bewaren.
[60:]
116. Sambel âti (Sambel van lever).
Twee ons gekookte lever, aan dobbelsteentjes gesneden drie lepels
fijngesneden uien, vier knoflookpitten fijngesneden, twee lomboks, een halve
eetlepel fijne laos, een eetlepel fijngesneden seréh, anderhalf theelepeltje
zout, ¼ theelepeltje suiker, een paar lepels assem water dan wel citroensap,
een paar djeroekpoeroet- en laurierbladeren, drie kopjes santen of melk, boter
of klapperolie.
Men stampt de uien en de specerijen (niet de bladeren) met elkander fijn en bakt ze op in twee volle
lepels boter of olie. Daarna voegt men er de lever, dan het assemwater of
citroensap bij, vervolgens de bladeren en de seréh en eindelijk de krie kopjes
santen of melk. Dit laat men koken tot het dik is.
Zoo maakt men ook:
117. Sambel-daging
(Sambel van vleesch).
Als hierboven; in plaats van lever, stukjes vleesch. Zelfde
bereiding.
118. Sambel bawang.
Twintig sjalotjes in de helft doorgesneden, 6 fijngesneden hauwen
knoflook, 6 gekookte lomboks, 1 stuk assem, 2 lepels bruine suiker, 2
theekopjes water, boter.
De lomboks worden fijngesneden, opgefruit in boter met de
sjalotten en het knoflook. Hierbij doet men 't water, de suiker en de assem en
kookt dit alles, al roerende, tot de sjalotten gaar zijn en de sambel dik is
geworden.
[61:]
119. Sambel-telor.
(Sambel van
eieren).
Dezelfde ingrediënten als hierboven, doch in plaats van lever of
vleesch, vier of vijf hard gekookte gepelde eieren, in vierde parten gesneden.
De bereiding als hierboven - met het onderscheid dat, nadat al de
ingrediënten met elkander zijn bereid, men eindelijk de gesneden harde eieren
op een schaal doet, waarover de gekookte saus wordt gegoten.
120.
Sambel boeboek dèndèng.
Vier stuks geroosterde en gestampte dèndèng, een gepofte lombok,
vier knoflookpitten, een theelepel fijne kentjoor, een theelepel trassi, een
theelepel zout en twee djeroekpoeroetbladeren.
Al de kruiden en specerijen samen fijnstampen en hierdoor de
gestampte dèndèng voegen. Samen goed dooreen mengen.
121. Sambel boeboek ikan.
Dezelfde ingrediënten als hierboven (No. 120) maar in plaats van
dèndèng, gedroogde visch (ikan terie) welke men dan eerst roostert en dan
fijnstampt.
Dezelfde vermenging en bereiding als hierboven (No. 120).
122. Sambel boeboek katjang.
Een kopje vol katjang-idjoe, een theelepel fijne kentjoor, een
fijngesneden lombok, een theelepel trassi, een theelepel zout, twee
djeroekpoeroetbladeren.
[62:] De katjang idjoe wordt met al de kruiden te samen opgebraden
daarna goed fijngestampt tot boeboek. Men zorge slechts dat bij het opbraden,
de katjang niet verbrandt.
123.
Sambel brandal.
Acht stuks gepofte lomboks, acht kemiries, een theelepel zout, een
theelepel gebrande trassi, drie lepels citroen- of assem water, drie
djeroekpoeroetbladeren, boter, reuzel of klapperolie.
Men stampt de lomboks met de uitgehaalde kemiries en de overige
specerijen, behalve de bladeren, met elkander fijn, bakt ze daarna op in boter,
reuzel of olie, tot het bijna droog is. Vervolgens voegt men er de
djeroekpoeroetbladeren met het citroen- of assemwater bij, laat dit samen nog
eens opbraden, tot de olie er uit komt.
Deze sambel kan men, mits goed gekurkt, eenigen tijd in fleschjes
bewaren. (Niet te lang.)
124. Sambel badjak.
Twintig afgekookte lomboks, twintig uitgehaalde kemiries, tien
fijngesneden knoflookpitten, een theelepel fijne laos, twee volle lepels
fijngesneden seréh, een theelepel suiker, een theelepel zout (naar verkiezing
er bij te doen: een theelepel djienten en anderhalve theelepel katoembar), een
theelepel trassi, een halve eetlepel assem met water aan gelengd, 1/4 Liter
melk of santen, boter of olie.
Men stampt de lomboks, kemiries en al de kruiden bij elkander fijn
en braadt ze op in boter of olie. Dan doet [63] men er de santen (of melk) bij
en laat het verkoken, tot het rood ziet, en de olie boven drijft; onder het
koken voegt men er het assemwater bij.
Wil men deze sambelsoort lang bewaren in fleschjes, dan gebruike
men geen santen of melk, maar alléén assem-water. Ook géén katoembar en
djienten.
Van deze sambelsoort wordt veelvuldig gebruik gemaakt,om er andere
sambelgerechten van te maken, b.v. onder toevoeging van vleesch of varkensvleesch
(waarbij dan gevoegd wordt eenige lepels fijngesneden uien), van garnalen, van ikan terie, van dèndèng enz.
Men neemt dan, naar mate van de hoeveelheden vleesch, garnalen,
ikan terie, dèndèng enz., één, twee of meer lepels sambel badjak.
Bij vischsambel (terie) wordt dan temoekoentji (1 theelepel) en
kentjoor (een halve theelepel) gebruikt, in plaats van katoembar en djienten;
bij vleesch- en c. q. eiergerechten, wordt wel katoembar en djienten gebruikt
doch geen kentjoor of temoekoentji.
Zoo bereidt men van één sambel verschillende gerechten.
125.
Sambel klappa mentah.
Twee kopjes vol geraspte kokos, drie hauwen knoflook, 1/2
theelepel fijne kentjoor, 1/2 Spaansche peper fijngesneden, een weinig zout.
De specerijen worden met het knoflook zeer fijn gestampt, daarna
met den geraspten klapper (kokos) innig vermengd.
[64:]
126. Sambel serdadoe.
Vijf lepels fijngesneden uien, zes fijngesneden lomboks met
pitjes, 1 lepel trassiwater, zout naar smaak, boter of klapperolie.
De olie wordt opgezet en als zij begint te braden, worden er de
fijngesneden uien, de lomboks en het zout bij gedaan. Men roert dit door
elkander, tot het bijna gaar is en roert er daarna het trassi water door. Men
laat dit dan doorsmoren, tot het een dikke massa is geworden en de uien gaar
zijn.
127. Sambel ketimoen.
(Komkommers).
Een schaaltje, fijngeschaafde komkommers, zes gepofte kemiries, of
pl.m. 30 katjang gorèngs, twee lomboks, zonder pit, fijngesneden; een theelepel
trassi, een theelepel zout, een half kopje azijn.
De schijfjes komkommers worden met zout gewrongen, afgewasschen en
laat men op een vergiet verder uitlekken, tot al het water is weggevloeid.
Vervolgens stampt men de kemiries (katjang gorèng) en verdere ingrediënten en
specerijen heel fijn, lengt dit aan met azijn, tot het een papje wordt. Dan
legt men de komkommers netjes op een schaaltje en overgiet ze met de beschreven
saus van azijn (het papje).
128.
Sambel lobak.
(Rammenas).
Drie fijngesnipperde en met zout bestrooide rammenassen, [65:] een
lombok, een theelepel trassi, drie of meer lepels azijn, zout.
De goed verslagen rammenassen worden uitgewrongen en op een
schaaltje gearrangeerd. Dan stampt men de lombok met de trassi goed samen fijn,
doet er de azijn bij en giet dit alles over de rammenas.
129. Sambel poja.
Een halve geraspte klapper, een theelepel gebrande trassi, een
theelepel fijne laos, twee theelepels zout, twee lomboks zonder pit, drie
fijngesneden knoflookpitten, drie djeroekpoeroetbladeren of schillen.
De klapper wordt droog, bijna geel-bruin opgebraden; de trassi
wordt met de laos, het zout, lombok en knoflookpitten samen fijngestampt en met
de gebraden klapper innig vermengd. Daarna braadt men alles te samen, met de
djeroek-poeroetbladeren (of schillen) nog eens droog op, laat het daarna koud
worden, stampt dit vervolgens zeer fijn en doet het in fleschjes.
Deze sambel wordt bij nassi-goeri of bij nassi-koening gegeten,
zoomede bij ketoepats, bij ketan.
130.
Sambel-petéh.
De meeste Hollandsche dames zullen wel niet van deze petéhboonen,
die onwelriekend zijn, houden. Ik geef toch de bereiding aan, met den raad, als
men ze gebruiken wil, geen gedroogde, doch gezouten petéhboonen te koopen:
[66:] per flacon f0.40. Men neme de helft van den inhoud; de boonen worden
gesnipperd.
De helft van den inhoud eener flacon; de boonen snippert men en
laat men een nacht op water staan om het zoutgehalte te verminderen. Dan kookt
men de boonen, houdt een weinig over van het water, waarin ze gekookt zijn; een
lepel sambel brandal (zie no. 123) drie schijfjes knoflook, een theelepel laos,
een lepel fijne seréh, een eetlepel trassiwater, een kopje santen of melk,
boter of klapperolie (palmin).
Men stampt het knoflook met laos samen fijn, braadt ze in boter
met sambel brandal op en doet er daarna de gare petéhboonen in. Vervolgens doet
men er het trassiwater, de seréh en de santen of melk bij en braadt dit samen
op, tot de olie er uitkomt.
131. Sambel-petis.
Drie lepel petis (p. ikan of p. oedang), drie lepels fijngesneden
uien, drie fijngesneden knoflookpitten, een fijngesneden lombok zonder pitten,
twee theelepels fijne temoekoentji (poeder) een theelepel fijngesneden laos,
twee lepels fijngesneden seréh, twee theelepels trassi met water aangelengd,
een paar djeroekpoeroet- en een paar laurierbladeren, suiker en zout naar
smaak, een paar kopjes assemwater, een kopje vol warm water, boter, vet of
klapperolie.
De specerijen en kruiden worden, behalve de bladeren en de lombok,
met elkander fijngestampt en in veel boter of [67:] olie gefruit, tot alles
bijna geel er uitziet; dan voegt men er het warme water bij en als dit begint
te borrelen, doet men er de drie volle lepels petis met het trassiwater bij en
roert dit goed om, tot alles goed fijn door elkander is en doet er dan de
bladeren, de lombok, suiker en zout door; dit wederom goed doorroeren en als
het goed kookt, wordt er eindelijk de santen bijgevoegd; al roerende moet alles
doorkoken, tot de olie er uitkomt.
132. Sambel-boeboek kring.
(Van garnalen).
Een ons gedroogde garnalen, twee lomboks, vier knoflookpitten
fijngesneden, een theelepel zout, een stukje gebrande trassi (een theelepel
vol), een theelepel fijne kentjoor, een paar djeroekpoeroetbladeren.
De garnalen worden even geroosterd, daarna fijngestampt. De
kruiden worden met elkander fijngestampt en met de garnalen vermengd, waarna
men dit mengsel tot poeder fijnstampt. Dan is dit' gerecht voor het gebruik
gereed.
Op dezelfde wijze maakt men sambel-boeboek-kring van
katjang-idjoe, van katjang-bras, van witte boontjes en van dèndèng. Alles wordt
altijd fijngestampt. Men neemt dan b.v. een kopje vol van één der
boontjessoorten of twee pakken dèndèng. Men roostert altijd eerst de
ingrediënten, ook, desgewild, de bladeren. Dit voor het gemakkelijker
fijnstampen van alles.
133. Sambel oedang-basa.
(Sambel van versche garnalen).
Anderhalf ons gekookte, gepelde, versche garnalen, drie [68:]
lepels fijngesneden uien, vier fijngesneden knoflookpitten, een fijngesneden
lombok, een theelepel laos, een eetlepel fijngesneden seréh, assem- en trassi
water, een theelepel suiker, een paar djeroekpoeroet- en evenveel
laurierbladeren, een á twee kopjes santen (of melk), zout naar smaak, boter of
klapperolie.
Behalve de bladeren, worden alle specerijen met elkander gestampt
en in boter. of olie opgebakken, de garnalen daarna, met het trassi- en
assemwater er bij gedaan, alles.,eenigen tijd doorroerende. Dan doet men er de
santen bij en de bladeren en laat dit samen doorkoken, tot de olie er uitkomt.
134. Sambel grèh of ook
Sambel terie.
Voor de gedrcwgde vischsoort (grèh)
kan men gedroogde scharretjes gebruiken. Evenzoo kan men de kleine gedroogde
Indische vischjes "ikan terie"
nemen.
Twee of drie scharretjes of twee kopjes vol ikan terie, 2 lepels
fijngesneden uien, 5 hauwen knoflook, 5 afgekookte Spaansche pepers, 1
theelepel fijne laos, 1/2 theelepel temoekoentji, 1/2 theelepel fijne kentjoor,
2 djeroek-poeroetbladeren, 1 lepel citroensap, zout, santen of melk, boter of
olie.
Van ikan terie.
Al de kruiden worden samen fijngestampt en opgebraden.
Ook de ikan terie wordt opgebraden. Dan voegt men alles bij
elkaar, voegt er 't citroensap bij, laat dit in de santen (of melk) koken, tot
alles gebonden is.
[69:] Van scharretjes.
De scharretjes worden geroosterd, dan 't vleesch van de graat
afgehaald, fijngestampt en verder behandeld als de ikan terie, om deze sambel
te bereiden.
135. Sambel kemirie.
Tien à vijftien kemiries (uitgehaalde), zes à acht afgekookte
lomboks, zes fijngesneden knoflookpitten, een theelepel trassi, een halve
theelepel suiker, een weinigje zout (naar smaak), een half kopje assemwater,
boter of klapperolie.
De uitgehaalde kemiries worden fijngestampt. Daarna worden deze
met de lomboks, de knoflooK pitten en de trassi samen gestampt. Men fruit dit
op in boter of olie, doet er het assem water bij (naar smaak, mag niet te zuur
worden) en laat dit samen koken, tot de olie er uit komt.
136.
Sambel katjang gorèng.
Een ons gepelde katjang gorèng, 2 lepels fijngesneden uien, 2
fijngesneden knoflookpitten, 1 theelepel fijne temoekoentji, 1 fijngesneden
lombok, 1 kopje melk, 1 theelepel trassi, 1 theelepel zout, 2 lepels
assemwater, 1 daon djeroekpoeroet.
De bereiding is precies als hierboven onder No. 135.
137.
Sambel goddok.
(van allerlei groenten.)
Kool, boontjes, peultjes enz. petéhboonen, een ons gepelde versche
garnalen of eenige stukjes gesneden tempéh, [70:] of wel eenige stukjes
gedroogde Indische visch, fijngerafeld (ikan gaboes), twee lepels fijngesneden
uien, twee lepels fijngesneden gebraden uien, vijf stuks uitgehaalde gepofte
kemiries, vier fijngesneden knoflookpitten, twee lepels :fijngesneden gepofte
lombok, twee lepels katoembar, twee djeroekpoeroet- en twee laurierbladeren,
zout naar smaak (b.v. 1 theelepel), drie in de lengte doorgesneden groene
lomboks, een theekopje fijngesneden groene kruisbessen, water, 1/2 à ¾ Liter
melk of santen, boter of olie.
De groenten worden met de groene lomboks en de kruisbessen te
samen gaar gekookt, waarna men het water afgiet en de melk of santen met de
beide bladersoorten bijvoegt. Dan stampt men al de kruiden samen fijn (behalve
de gebraden uien en de gepofte lomboks), voegt dit bij het voorgaande en kookt
dat, al roerende, even door, waarna men er de lomboks en gebraden uien
bijvoegt. Men kookt dit samen door, tot het een dikke brij wordt.
138. Sambel-selderij of
sleddrie.
Twee bosjes selderij, vier gepofte kemiries, twee lomboks, een
theelepeltje trassi, een theelepel zout, 1/2 kopje azijn.
De kemiries worden uitgehaald en met de trassi, lomboks en 't zout
te samen fijngestampt, daarna aangeroerd met de azijn.
De selderij blaadjes haalt men van de steeltjes af, haalt ze even
door warm water, rangeert ze dan netjes op een schaaltje en overgiet ze met het
boven opgegeven papje van kruiden en azijn.
[71:] 139. Sambel oelek
tjabé idjoe.
Zes of acht heele groene Spaansche pepers – overigens dezelfde
bestanddeelen als bij de sambel-oelek. (variatie).
Dezelfde behandeling als onder No. 113.
140. Sambel ikan-mérah.
(s. van roode vischjes).
Deze wordt evenals de sambel petis bereid, met dezelfde
bestanddeelen. In plaats van petis neemt men een kopje vol roode vischjes. Het
wordt door elkaar tot een smakelijk papje bereid en heeft den aangenamen smaak
van ikan mérah.
141. Sambel troeboek.
Een stuk troeboek, schoongewasschen, in stukjes gesneden en
opgebraden, twee lepels fijngesneden uien, drie fijngesneden knoflookpitten,
twee fijngesneden lomboks, een theelepel laos (poeder), een half theekopje
water, vier lepels azijn, een paar djeroekpoeroetbladeren, zout naar smaak,
boter of olie.
Behalve de lomboks en de bladeren, worden de specerijen samen
fijngestampt en in boter opgebraden. Hierbij doet men de stukjes troeboek, de
lomboks en de bladeren, daarna de vier lepels azijn en het water en laat dit
verkoken, tot alles bijna droog wordt.
[72:]
142. Sambel klappa.
(s. van klapper).
Een halve klapper, geraspt en gebraden, een lombok, twee
theelepels zout, een theelepel laos (poeder), een theelepel trassi, twee
djeroekpoeroetschillen, boter of klapperolie.
Men stampt de kruiden met elkander fijn, braadt ze op in boter of
olie en wanneer dit geel-bruin is, voegt men er de bladeren en bruin gebraden
klapper bij; laat dit nog samen braden, tot het droog is geworden, waarna men
alles, koud zijnde, al of niet kan fijnstampen; in het het eerste geval
(fijngestampt) heet dit gerecht "boeboek
klappa".
143.
Sambel djeroek.
(s. van citroenen).
Twee citroenen, geschild: vier lomboks, een theelepel gebrande
trassi, zout naar smaak, doch niet veel.
De citroenen snijdt men in dunne schijfjes, perst er het sap uit.
Daarna worden de lomboks, trassi en zout met elkander fijngestampt, terwijl men
de schillen der citroenen zeer fijn snijdt; van dit alles maakt men een papje,
door het met elkander te vermengen, waarna men eindelijk er het geperste
citroensap bijvoegt en dat alles nog eens innig vermengt.
144. Sambel gorèng van
eieren.
Vier hard gekookte eieren: vijf uitgehaalde kemiries, twee
eetlepels fijngesneden uien, een halve eetlepel fijngesneden knoflookpitten,
een theelepel laos (poeder), een [73:] halve eetlepel fijne seréh, een weinigje
suiker, een lombok, een theelepel rauwe trassi, 1/4 kopje assem- of
djeroekwater, een half kopje santen of melk, zout naar smaak, boter of
klapperolie.
Men snijdt de gepelde eieren in vierde parten en arrangeert ze op
een schaaltje. Men stampt alle kruiden en specerijen met elkander fijn en
braadt ze in boter op.
Daarna voegt men hier het assem- of djeroekwater bij, vervolgens
de santen, laat dit samen koken, tot alles dik wordt, waarna men deze saus over
de eieren giet.
145. Sambel gorèng lombok
idjoe.
Acht groene lomboks, twee lepels fijngesneden uien, vijf
knoflookpitten, een theelepel fijne laos, een theelepel zout, een theelepel
trassi, 1/2 theelepel suiker, 2 lepels azijn, boter of olie.
De lomboks worden in :de lengte doorgesneden. De uien en het
knoflook worden met de specerijen samen fijngestampt, daarna met de lomboks
opgebraden. Hierbij voegt men dan de azijn en laat dit samen nog even
doorkoken.
Men zorge dat dit bijgerecht niet droogkookt, anders voegt men er
een scheutje water bij.
146. Sambel gorèng
boontjes.
Een bordje vol gesneden rauwe snijboontjes, 2 lepels fijngesneden
uien, 1 volle lepel gedroogde boemboe lodèh, 1 stukje trassi, 1/2 theelepel
zout, evenveel suiker, boter, water of melk.
[74:] De uien worden met al de verder genoemde bestanddeelen samen
fijngestampt, opgebraden in boter, waarna men er de boontjes bij doet. Als deze
verslagen zijn, doet men er water of melk (dan wel half om half) bij en kookt
alles op tot de sambel gaar en dik is.
147. Sambel gorèng
pengantèn.
Vier of vijf fijngesneden uien, vijf knoflookpitten, tien
afgekookte lomboks, 1 stukje trassi, 1 theelepel laos, 1 eetlepel bruin
gebraden, fijngesneden uien, 3 lepels djeroek- of assemwater, 2 kopjes melk of
santen. Boter of klapperolie.
De specerijen worden met de uien fijngestampt, de lomboks
fijngesneden. Daarna braadt men de fijngestampte uien en specerijen op met de
lomboks, doet er 't assem- water bij, kookt dit samen op, waarna men er de melk
of santen bijvoegt en braadt tot de olie er uit komt.
148. Sambel gorèng van
tomaten.
Drie of vier tomaten, in vierde parten gesneden; (gedroogde
garnalen, een theekopje vol), drie groote uien, drie groene en drie roode
lomboks, vier knoflookpitten fijngesneden, een theelepel laos (poeder), een
eetlepel trassi-water, een kopje santen of melk, zout, boter of klapperolie.
Men snijdt de drie groote uien fijn, stampt ze samen met al de
kruiden fijn en braadt ze in boter of olie op (2 lepels boter). Dan doet men er
de tomaten bij, laat dit even samen braden, tot de tomaten verslagen zijn. Nu
voegt men er het trassi-water bij en daarna de santen of [75:] melk en laat dit
koken tot alles dik is. Men kan hier gedroogde of versche gekookte garnalen
bijvoegen, welke eerste soort eerst moet worden geweekt; dit roert men dan door
de sambel gorèng tomaten.
Men kan dus, naar verkiezing, geen of wel garnalen hiervoor
gebruiken.
149. Roedjak gobèt.
Twee lomboks, een theelepel trassi, assem zoo veel als ter grootte
van een duivenei, een stukje goeladjawa, een lepel rauwe petis, een à twee
lepels azijn, zout naar smaak.
Men maakt met water een dikke pap van assem en roert dit met de
trassi en de petis samen. Men stampt vervolgens de lombok, de goeladjawa en het
zout samen fijn en roert dit mede door het papje, waarna men er de lepels azijn
door roert.
Bij deze "roedjak" gebruikt men b.v. schijfjes komkommers,
zure appelen, en dergelijke zurige vruchten
150.
Roedjak manis.
(Zoete roedjak).
Acht lomboks, een stukje goeladjawa of een eetlepel bruine suiker,
een theelepel trassi, 3/4 lepel assem, zout naar smaak, b.v. 3/4 à één
theelepel, soja.
Men stampt alle ingrediënten (kruiden) samen fijn er telkens wat
water (1 theelepel telkens) bijvoegende, tot het een papje wordt. Daarna voegt
men er naar verkiezing, zoo veel soja bij, tot het papje niet meer dik is.
[76:] Deze roedjak kan men met rauwe of gekookte groenten eten,
b.v. gekookte kool, boontjes, of rauwe komkommers, dan wel kersen, aalbessen,
zure appelen enz. De kersen worden dan van de pitten ontdaan en eenigszins
gekneusd; ook de aalbessen worden, van de stelen ontdaan, een weinig gekneusd.
VERSCHEIDENHEDEN.
151. Djagoeng-Klappa.
Acht niet te jonge maïskolven, gekookt en van de pitjes ontdaan,
een of twee kopjes geraspte klapper, een fijngestampte lombok.
Men vermengt de maïspitten innig met de lomlok den geraspten
klapper.
Men gebruikt dit gerecht bij bijzonder klaargemaakte rijst of bij
ketoepat.
152. Lalap van tomaten.
Vijf tomaten, 2 of 3 lepels citroensap, een fijngesneden lombok,
een tikje zout en evenzoo wat suiker.
De tomaten worden aan zeer dunne schijfjes gesneden en op een
schaaltje geschikt. Men vermengt de fijngestampte lombok met suiker, zout en 't
citroensap en giet dit over de gerangeerde schijfjes.
153. Djanganan, of Gado-gado.
Jonge peultjes, prinsesseboonen. bloemkool aan stukjes gesneden,
acht gepofte en uitgehaalde kemiries, of apenootjes, een theelepel zout en een
theelepel trassi, een halfkopje assemwater, twee lomboks.
Men stampt de uitgehaalde kemiries, de lomboks, de trassi en het
zout met elkander fijn en maakt hiervan met assem water een papje.
De verschillende groenten worden gaar gekookt, deze op een
schaaltje netjes gearrangeerd en met het kruidengerecht overgoten.
154. Gado-gado Betawie.
Allerlei groenten, als: prinsesseboonen, peulen, bloemkool,
andijvie, sla, enz: hardgekookte eieren, in stukjes gesneden, gekookte
aardappelen, die niet te gaar moeten gekookt zijn (anders vallen ze uit elkaar)
gebraden kriepiek . blindjoe (gehalveerd) azijn naar smaak.
Kruiden voor het sausje: een Spaansche peper, een weinig trassie,
zout, 1 à 1 1/2 ons, of meer, gepelde pinda's melk of santen, olie.
De pinda's worden met de Spaansche peper, trassie en zout
fijngestampt en even opgebraden in Delfia of olie.
Daarna roert men er lepel voor lepel de santen of melk door en zet
dan de saus af en laat ze koud worden. Wanneer men de gado-gado voordient,
rangeert men de verschillende gekookte en fijngesneden groenten (sla wordt niet
gekookt maar rauw in fijne stukjes gesneden) op een schaal, de gesneden
aardappelen er om en er over heen als ook de kriepiek en de in stukjes gesneden
eieren en overgiet dit alles met het sausje.
[78:] Voor die er van houden wordt er eerst wat azijn over de
groenten gedaan en dan het pindasausje er overheen gegoten.
Voor azijn neme men een goed soort azijn.
155. Lembaran van vleesch
of kip.
Een kip of vier ons kalfsoesters, beide aan stukjes gesneden; een
lombok, twee fijngesneden knoflookpitten,drie lepels fijngesneden uien, een
theelepel fijne kurkuma (poeder), een theelepel trassi, een theelepel zout,
twee djeroekpoeroet- en twee laurierbladeren, een kopje santen of bouillon,
boter of klapperolie.
Men kookt de stukjes kip of vleesch even op, in water en zout,
waarna men ze laat uitlekken op een vergiet en vervolgens in boter opbraadt.
De kruiden worden, met uitzondering van de bladeren, samen
fijngestampt en ook opgebraden, waarna men de gebraden stukjes kip of vleesch
bij voegt.
Vervolgens doet men hierbij de bouillon en de santen en laat dit
met de bladeren smoren, tot het dik wordt.
Dit gerecht wordt aldus op eene vleeschschaal voorgediend.
156.
Ajam-òpòr.
(kip, gevuld met kruisbessen)
Een kip, zes kemiries, drie lepels fijngesneden uien, vier
fijngesneden knoflookpitten, een lepel katoembar, een halve lepel djienten, een
lepel fijngesneden lombok, een theelepel gebrande trassi, een theelepel
laospoeder, twee djeroekpoeroet- en twee laurierbladeren, twee theelepels zout,
[79:] naar smaak, een kopje vol bijna rijpe kruisbessen, dunne en dikke santen
(of melk), boter.
Van de kip worden hart en lever aan stukjes gesneden, waarbij men
de kip van binnen goed schoonmaakt, in haar geheel laat, haar inwrijft met
peper en zout, en haar van binnen met boter besmeert.
De kruiden worden, met uitzondering van de bladeren, samen
fijngestampt. Vervolgens kneust men de kruisbessen fijn. De stukjes hart en
lever braadt men met de fijngestampte kruiden samen in boter op, doet hier de
gekneusde bessen door, met een paar lepels dikke santen. Dit vulsel doet men
daarna in de kip en naait deze vervolgens dicht. De kip, gevuld en dicht, kookt
men dan in de dunne santen op, met de bladeren, waarna men er nog dikke santen
bijvoegt en dit laat doorkoken tot de jus dik is.
Dan haalt men de kip uit de jus, braadt ze nog eens aan beide
kanten, bruin op in boter en voegt er telkens, al begietende, de dikke jus bij.
De kip wordt op een schaal geplaatst en met het restant der dikke
jus overgoten.
[80:] De uien en het knoflook worden met de Spaansche peper samen
fijngestampt en in boter opgebraden.
Hierna snijdt men de pitten maïs van de kolven af, kookt ze even
op met water en suiker tot ze gaar zijn (zooals men jonge doperwtjes stooft).
Dan doet men de garnalen, de gekookte maïspitten en de- gebraden
specerijen bij elkaar en kookt ze in water en melk op. Men laat ze gedekt stoven.
Naar verkiezing kan men er soja en citroensap bij doen.
Als men dit bijgerecht met maïzena dik maakt, kan men het in
schelpen voordienen.
158. Eend, gevuld met
appelmoes.
Eene eend, hart, lever (en nieren) aan stukjes gesneden; een kop
vol appelmoes, een sneedje in melk geweekt brood, twee dooiers van eieren, een
half ons rozijnen zonder pit rgeweekt), een lepel boter, een theelepel zout,
azijn, water en boter.
De eend wordt inwendig schoongemaakt en met azijn uitgewasschen,
om den eigenaardigen smaak te verdrijven; dan wordt ze nog eens in water
overgewasschen, afgedroogd en met zout en met peper ingewreven. Daarna kookt
men de eend, met de er uitgenomen lever, hart en nieren fijn, mengt dit door
elkander (maakt er een gepakt van) met de appelmoes, eierdooiers, rozijnen, het
geweekte brood en een lepel boter en vult hiermede de eend, waarna deze wordt
dichtgenaaid en ze in haar eigen bouillon nog eens wordt opgekookt.
Nu neemt men de eend eruit, braadt haar aan weers[81:]kanten, in
veel boter, bruin, waarop men van den bouillon en boter de jus maakt, waarmede
de eend, die op een schaal gearrangeerd, wordt begoten.
159.
Lelawar van eenige vleeschsoort.
(b.v. van varkensvleesch).
Vijf ons aan stukjes gesneden varkensvleesch, vier fijngesneden
knoflookhauwen, drie lepels fijngesneden uien, twee lepels gebraden gesneden
uien, een halve lepel gebraden gesneden knoflookpitten, een theelepel
djienten,een theelepel katoembar, een theelepel trassi, een lepel fijngesneden
seréh, zes kemiries (uitgehaald), een theelepeI laospoeder, zout en peper naar
smaak, een paar djeroekpoeroetbladeren, een kopje bouillon, een kopje santen,
boter, citroensap.
Het vleesch wordt nog eens heel fijn gehakt. De kruiden worden,
uitgezonderd de gebakken uien, knoflook en de bladeren, samen fijngestampt en
even in boter gefruit, daarna met het vleesch en de bladeren nog eens
opgebraden. Nu doet men er bouillon bij, met peper en zout naar smaak, kookt
dit even samen op, doet er dan de santen en de gebakken uien en de
knoflookpitten bij en laat dit samen, al roerende, opkoken, tot het dik wordt.
Even voordat men dit gerecht opdient, wordt er het citroensap doorheen geroerd.
160.
Frikadel djagoeng.
(gehakt van maïs).
Een dozijn jonge maïskolven, twee lepels [82:] uien, vier
fijngesneden knoflookpitten; een theelepel langkwas, een stuk lombok
fijngesneden, 3/4 lepel katoembar, een theelepel djienten, een theelepel
trassi, een halve theelepel kentjoorpoeder, een theelepel zout, twee
eierdooiers, een halfkopje santen of melk, boter of olie.
De maïskolven worden fijngeraspt, d.w.z. de gele pitjes aan de
kolven. Dan worden de specerijen met de uien, enz. samen fijngestampt. Van de
geraspte maïs maakt men met de gestampte kruiden en de eierdooiers platte
balletjes gehakt, waarbij men niet verzuime er wat santen of melk door te doen.
Daarna braadt men de platte balletjes in heete boter of olie op.
Een variatie op dit gerecht maakt men, door fijngehakte garnalen,
b.v. een kopje vol, door het maïsgehakt te werken.
Hiervan worden dan ook balletjes gemaakt en deze op dezelfde wijze
heet opgebraden.
161. Seroendèng djagoeng.
Twaalf maïskolven, waarvan de gele pitjes worden afgeraspt en deze
in boter worden gebraden, een halve klapper, droog geraspt en droog gebraden,
twee lepels fijngesneden uien, vier fijngesneden knoflookpitten, een lepel
katoembar, een halve lepel djienten, 1 1/2 lepel langkwas, twee lomboks, zonder
pit, een theelepel trassi, twee theelepels suiker, 1 1/2 theelepel zout, twee à
drie lepels assem water, boter of olie.
Men stampt de kruiden met elkander fijn, fruit dit in veel boter
of olie lichtbruin, waarna men er de geraspte [83:] gebraden mais en klapper
bijvoegt en, al bradende, er het assemwater doorheen roert.
Men braadt dit samen op, tot alles droog is en het geheel
aangenaam zout en zoet van smaak is. Men kan deze seroendèng, koud geworden, in
fleschjes, goed gesloten, bewaren.
162. Seroendèng.
Een klapper, geraspt, drie lepels fijngesneden uien, vier gesneden
knoflookpitten, twee lepels katoembar, een lepel djienten, een theelepel
laospoeder, twee theelepels zout, een lepel suiker, een theelepel trassi, drie
lepels assem-water , twee laurierbladeren, twee djeroekpoeroetbladeren, boter
of klapperolie.
De kruiden worden fijngestampt en innig met den geraspten klapper
vermengd. Daarna braadt men dit met boter lichtbruin op, met de bladeren, roert
er het assem-water doorheen en laat het dan doorbraden, tot het bruin wordt,
doch niet verbrandt, hetgeen, bij onoplettendheid, spoedig kan geschieden.
163. Gefarceerde
komkommers.
Twee of drie komkommers, anderhalf ons kalfsgehakt, zout, peper en
notemuskaat naar smaak, een ei, twee sneedjes in melk geweekt brood, bouillon,
beschuitkruim en boter.
Men schilt de komkommers, snijdt ze, naar mate ze lang of kort
zijn, in vier of drie even groote stukken, [84:] welke men van binnen
voorzichtig uitholt. Men verzuime niet, ter weerszijden de punten (toppen der
vrucht) af te snijden.
Nu maakt men het gehakt gereed, vult daarmede de stukken
uitgeholde komkommer, doet deze van onder en boven met boter, in een vuurvaste
schaal, bestrooit ze met beschuitkruim, ,giet er een kopje bouillon over en
bakt ze in den oven gaar.
Men kan ze ook op het vuur stoven, doch gebraden smaken ze
aangenamer.
164.
Gefarceerde lomboks.
(Frikadel
tjabé).
Anderhalf ons kalfsvleesch, tien groote gave lomboks, een eetlepel
fijngesneden prei, een halve eetlepel fijngesneden peterselie, twee lepels fijngesneden uien, drie
fijngesneden knoflookpitten, 3/4 lepel fijne seréh (poeder), een theelepel
djahé (gember), een halve lepel katoembar, een theelepel djienten, een
theelepel zout, twee eierdooiers, het geklopte eiwit daarvan, een theelepel
peper, een lepel citroensap, boter of klapperolie.
Men hakt het vleesch zeer fijn; de kruiden worden, behalve de prei
en de peterselie, fijngestampt en met de eierdooiers, de prei, peterselie en
het fijngehakte vleesch verwerkt tot gehakt. De lomboks, waaraan men de stelen
laat, snijdt men over de lengte aan ééne zijde voorzichtig open en vult ze met
gehakt, waarna men aan de lomboks
weder haren natuurlijken vorm geeft, vouwt ze voorzichtig [85 dicht,
bestrijkt ze met het geklopte eiwit, zoodat het gehakt in de vruchten blijft en
bakt daarna de gevulde lomboks bruin. Bij het opdienen zij men voorzichtig, dat
de lomboks gevuld blijven, daar anders het vulsel er gemakkelijk uitvalt.
65. Kroepoek.
Kroepoek, waarvan men zes verschillende soorten in den handel
heeft, is een drooge zelfstandigheid, rauw en gemaakt van buffelhuid, visch,
garnalen, of katjang, terwijl men ook een kroepoek bereidt van een
platgekneusde Indische vrucht (de blindjoe).
Kroepoek, een stuk of 12, 14, dan wel 16, of een bordje vol
kroepoek-blindjoe. Heete boter of klapperolie.
Nadat men veel olie in de pan heeft gedaan en dit kokend heet is
gemaakt, doet men er de kroepoeks in, vijf of zes (kleintjes), een of twee
(groote). De kroepoeks zetten zich door de hitte zeer uit; ze zwellen; dan
keert men de kroepoeks om, om ze aan den anderen kant ook goed te bakken. Ze
mogen niet bruin worden. Als de kroepoeks in de pan zijn, moet men ze goed
onder de olie houden. Zijn ze gaar en croquant, dan worden ze uit de olie
gehaald met een vergietlepel en laat men de vette olie er goed af druipen,
zoodat ze droog worden. Warm voorgediend - een der laatste te maken
bijgerechten - vormen de kroepoeks een der meest gewilde delicatessen bij de
rijsttafel.
[86:]
166. Pisang-gorèng.
Vier of vijf rijpe pisangs en olie.
De pisangs worden geschild en in twee helften (over de lengte)
gedeeld. Men bakt ze in kokend heete slaolie, aan weerszijden lichtbruin.
167. Tèrong-gorèng.
Vier of vijf rijpe aubergines, (in vruchtenwinkels verkrijgbaar)
olie en zout.
De aubergines worden niet geschild, doch aan zeer dunne schijfjes
- over de lengte - gesneden, met wat zout bestrooid, daarna in kokend heete
olie gebakken, tot ze lichtbruin zien.
168.
Chutney.
Dit is een der smakelijkste gerechten bij de rijsttafel, 't meest
overeenkomende met onze zoet-zure kwetsen.
Van de chutney (een Engelsch-Indisch product, wordt kant en klaar
in heele of halve flacons gekocht) wordt een klein gedeelte op een schaaltje
uitgestort, waarvan men dan een half lepeltje bij de rijst neemt.
Een welbekende Indische vrucht, de mangga, wordt voor de bereiding
van chutney aangewend. Tot een moes gekookt, onder toevoeging van een paar
stukjes gesneden lombok, laat men de mangga's van hare groote pitten (pelem)
ontdaan en in langwerpig groote stukkken gesneden, zoo lang met de lomboks
koken, tot de chutney den zoo begeerden aangenamen smaak heeft. Velen
ge[87:]bruiken gaarne dit bijgerecht; er zijn er ook velen, die het zoet-zure
niet bij de rijsttafel verkiezen.
169.
Atjar tjampoeradoek.
(nagemaakt Indisch zuur).
Kleine augurkjes, jonge spersieboontjes, peultjes, bloemkool,
wItte kool, snijboonen; een eetlepel fijne kurkuma, twee eetlepels fijne djahé
(gember), twintig knoflookpitten, tien lomboks, drie lepels slaolie, zooveel
azijn als men noodig heeft, om alles op te koken - dit hangt af van de te maken
hoeveelheid, - zout.
De drie eerste groenten blijven in haar geheel de volgende drie
worden fijngesneden; dan laat men alles 24 uur in zout staan, in een keulschen
pot - laag om laag: groenten en zout; den pot laat men geopend, de groenten in
den pot geperst door middel van een zwaren steen, opdat alle groenten goed
onder de pekel komen; een dun doekje wordt, ter wering van stof of ander vuil,
los over den pot geworpen.
Nadat de groenten aldus zijn bereid en gepekeld, haalt men ze uit
het water, perst er het verdere pekel water uit en droogt alles, op een servet,
in de zon. Men laat ze twee dagen drogen, waarna ze in een schoonen keulschen
pot worden gedaan.
Men stampt de verschillende specerijen daarna samen heel fijn,
fruit -ze in de slaolie op, doet er azijn bij en kookt dit samen even op. Is de
azijn koud geworden, dan giet men deze over de ingemaakte groenten, roert dit
alles eenige malen om en laat het dan twee dagen staan.
[88:] Daarna kan men dit Indisch zuur in stopflesschen, goed
dichtgekurkt, wegsluiten en er, naar believen, nu en dan wat van gebruiken.
170.
Atjar-ikan.
(zuur van gebakken vischjes, b.v. van gebakken ijbokking.)
Twaalf stuks gebakken ijbokking, twee lepels fijngesneden uien,
een lepel fijngesneden knoflook, een theelepel fijne gember, een
theelepellaospoeder, een lepel fijne kurkuma, een lombok zonder pitjes, een
theelepel zout, een theelepel suiker, twee à drie lepels slaolie, bakolie (voor
de visch), een flesch azijn, of meer, naar het oordeel der bereidster.
Men braadt de bokking in de bakolie en laat ze daarna goed
uitlekken op een vergiet.
De specerijen, behalve de lombok, worden samen fijngestampt en in
de slaolie lichtgeel gebakken, waarna men er de azijn en de lombok bij doet en
dit samen even doorkookt.
Nu doet men de visch een voor een in een stopflesch en giet er de
kokende azijn met specerijen over heen.
Als nu de inhoud koud is geworden, sluit men de fIesch goed dicht
en laat ze zoo een paar dagen staan, waarna de atjar voor gebruik geschikt is.
Dit zuur kan niet lang bewaard worden.
171.
Atjar ketimoen.
(Komkommerzuur).
Zes groote komkommers, geschild en in vierde parten [89:]over de
lengte verdeeld en deze wederom over de lengte in achten, overigens dezelfde
bestanddeelen en specerijen als hierboven. Geen bakolie.
Men laat de gesneden stukken komkommer een nacht onder een
hoeveelheid zout, met iets zwaars (een steen) er op. Den volgenden dag neemt
men de stukken er uit, laat ze goed uitlekken en droogt ze goed af met een
schoone witte doek.
De behandeling enz. der specerijen en het begieten der komkommers
met de heete azijn, het laten afkoelen van den inhoud der fIesch is geheel
gelijk als hierboven,no. 169.
172.
Bahmie.
(Chineesch-Indisch
gerecht).
Per persoon rekent men in den regel op drie à vier koekjes,
waarvan er 17 à 18 stuks in een pond (een half K.G.) gaan. Voor zes personen
rekent men op 1 1/2 pond mie.
Een pond mie (of meer?) vier lepels gebraden fijngesneden uien,
een lepel gebraden gesneden knoflook, een theelepel gemberpoeder, 2 1/2 ons
gebraden ragout-saucijsjes, een bordje vol gebraden kleine frikadelletjes, 1
1/2 ons varkensvleesch (van den vorigen dag, als men dit heeft) in kleine
stukjes gesneden en gebraden, 1 1/2 ons gepelde gekookte garnalen, een ons ham
fijngesneden, voor 5 cent jonge peultjes gekookt, daarna gestoofd, (of 1/4 blik
peultjes), een bordje vol gekookte prei en selderij in stukjes ge[90:]sneden,
peper en zout naar smaak. Een eierstruif van vier eieren in lange dunne repen
gesneden, twee lepels soja, een citroen in acht parten gesneden.
Men zet een grooten pot met water op; wanneer het water kookt doet
men er de koekjes mie in, dekt den pot goed dicht en plaatst hem op een zacht
petroleumvuurtje. Wanneer de mie nu half gaar is, snijdt men vlug met een mes
door de massa, om de lange miedraden klein te krijgen.
Even voor het eten doet men de mie in een vergiet, daarna in een
schaal en rangeert deze laag om laag, eerst de mie, dan de fijngesneden
groenten, de fijngesneden vleeschsoorten, balletjes, de garnalen, de uien enz.,
telkens er zout en wat peper over strooiende. Boven op de massa rangeert men
netjes wat groenten, de stukjes frikadel en saucijsjes en daarover de reepen
eierstruif.
Wanneer men zich van bahmie bedient, wordt van alles genomen, dit
door elkaar geroerd en er soja (een halve lepel) over gegoten; liefhebbers
persen er nog het sap van 1/8 citroen over heen.
173.
Tjap tjaé.
(Chineesch-lndisch gerecht).
Kleine frikadelletjes, gemaakt van: 2 ons gepelde garnalen, 2
gekookte aardappelen, 1 sneedje geweekt brood, 1/2 lepel gemberpoeder, 1
theelepel geraspte notemuskaat, 3 lepels fijngesneden gebraden uien; een ei, 1
theelepel zout, 1/4 theelepel peper, 2 kopjes bouillon, 1 theeschotel
fijngesneden koolbladeren, 1 kopje vol selderijblaadjes, [91:] voor 5 cent
jonge peultjes en, afzonderlijk nog, twee lepels garnalen. Boter.
Van de (gepelde) 2 ons garnalen, maakt men met 't zout, ei, peper,
brood en aardappelen, frikadelletjes, die men bruin braadt.
Vervolgens kookt men de groenten met de specerijen en de uien in
den bouillon op. Zijn de groenten gaar, dan voegt men er de frikadelletjes en
de twee lepels gekookte garnalen bij. Kookt dit samen nog even op en dient dit
gerecht daarna warm voor.
EENIGE
INDISCHE KWEE-KWEE'S, GEBAK EN
LEKKERNIJEN.
174. Spekkoek.
Een half pond beste tarweblom, een pond natuurboter, tot schuim
geklopt, een pond fijne witte suiker, ongeveer twee à drie eetlepels fijne
kaneel, ongeveer twee eetlepels kruidnagelgruis, notemuskaat en kardemom naar
smaak (b. v. een halve lepel van ieder) vijftien eieren, een klein weinigje
zout.
Men klopt eerst de boter goed tot schuim (z.g.
"witkloppen" en voegt er, onder aanhoudend kloppen, telkens wat
suiker bij, tot het pond verbruikt is, daarna, een voor een, de 15 eierdooiers,
die er ook doorheen worden geklopt. Vervolgens lepelsgewijze het meel er door
doen men zie toe, dat het meel niet
klonterig is of wordt [92:] en dan
het tot schuim geklopte eiwit door de massa, met de specie (zooals de kruiden
worden genoemd). Dit wordt goed door elkaar geklopt en geroerd; heeft alles
naar eisch plaats gehad, dan bestrijkt men een springvorm met boter en bakt men
den koek in den vorm, laag om laag - iederen keer elke laag met een veer
gesmolten boter bestrijkend - daarna weer een laag, enz. Elke laag wordt op
zich zelf gebakken, daarop wat boter en weer een laag van het deeg, dat daarna
ook wordt gebakken. Zoo gaat men voort, tot het aangemaakte deeg voor de
spekkoek verbruikt is.
N. B. Er zijn wel drie of vier soorten van spekkoek,
doch de aangegevene is voor hier te lande de gemakkelijkste
bewerking.
175. Kwee-talam.
Een half pond goela-djawa, opgelost in water. Een half (klein)
pakje Colman's meel, zeven kopjes melk.
Voor de saus: twee eetlepels Colman's meel, een weinigje zout,
anderhalf à twee kopjes melk.
Men kookt de goela-djawa in water op en doet zes kopjes melk bij
de tot stroop gekookte suiker. De suiker wordt, na het koken, eerst gezeefd,
voor er de melk bij wordt gevoegd. Het half pakje meel roert men aan met de
overgeschoten (een kopje) melk, tot het dik is en roert men dit door de kokende
suiker en melk; men roert dit zoo lang, tot alles dik en gebonden is.
Daarna stort men dezen pudding over in een vuur-
vaste schaal.
[93:] Het sausje maakt men aldus klaar: het meel roert men aan met
wat melk. De 1 1/2 à 2 kopjes melk zet men te kook; als het kookt, doet men er
het aangemaakte meel in, roert dit tot het dik wordt en voegt er al roerende
een weinigje zout bij, naar smaak (plm. 1 theelepel).
Als dit sausje gereed is, strijkt men het voorzichtig en netjes
over den pudding, als een laag.
Bij het voordienen kan de kwee-talam in de schaal blijven en
snijdt men hem in ruitvormen tot stukjes.
176.
Klapperkoekjes.
Een blik geraspte klapper of, beter nog, een klapper, geraspt, 1
ons rijstemeel of bloem, 1 ons boter, 1 ons suiker, 3 eieren, 1/2 ons gepelde
gestampte amandelen.
Met boter besmeerde taartevormpjes.
De boter wordt 1/2 uur lang met de suiker goed geklopt, dan breekt
men er een voor een de eieren in, aldoor kloppende. Hiermede maakt men het
rijstemeel aan, waarna men er de amandelen bijvoegt en daarna den geraspten
klapper.
Men vult de taarten vormpjes en bakt ze in den oven bruin.
Men kan de koekjes ook uit de hand maken en deze ook in den oven
bruin bakken.
177.
Kwee-adas.
(Anijskoekjes).
Een ons rijstemeel of bloem, 1 ons fijne witte suiker, 2 lepels
boter, 1 ei, 1 lepel gestampt anijszaad.
[94:] Men kneedt alles innig te samen tot een deeg, maakt er
langwerpige, platte koekjes van en bakt ze op een beboterde gebakplaat in den
oven, tot ze lichtbruin zijn.
178.
Kwee pisang.
Zes pisangs, santen van 1/2 klapper, 1/2 pond rijstemeel, of
bloem, een weinig zout, gedroogde pisangbladeren *)
De pisangs worden, over de lengte, in vieren gedeeld. De santen
wordt met 't meel en 't zout tot een kneedbaar deeg bewerkt. Dit deeg rolt men
uit, snijdt er vierkante plakjes van, doet in elk plakje een stuk pisang, vouwt
dit dicht en wikkelt dit in een pisangblad, dat men met pinnetjes dicht maakt.
Ze worden gaar gestoomd, door ze in een vergiet te doen, boven in een pot met
kokend water. De vergiet sluit men met een deksel af.
*) Of dunne linnen of neteldo~ksche lapjes.
179.
Kwee pisang gorèng.
Zes à acht pisangs, dik pannekoekendeeg, slaolie.
De pisangs worden geschild, gehalveerd, door hèt dikke deeg
gehaald (er mede omwikkeld) en deze daarna in de kokend heete slaolie
lichtbruin gebakken.
180. Kwee
bidji-salak of poetri-mandie.
Een half pond goela-djawa, drie kopjes ketanmeel, een half kopje
warm water, drie kopjes koud water, een halve klapper geraspt, een paar
djeroekpoeroetschillen.
[95:] Men kookt de goela-djawa met het water tot stroop en zeeft
ze daarna. (De suiker is gewoonlijk met vuil en afval vermengd, daarom is
ziften altijd geraden).
Met het lauw geworden warm water mengt men het meel aan en voegt
hier een weinigje zout en eenige lepels suikerstroop bij. Dit wordt tot een
deeg gekneed, waarna men er langwerpige balletjes van maakt.
Deze balletjes kookt men nu op, tot ze gaar zijn geworden, d.i.
tot ze boven komen drijven (dan zijn ze gaar), waarna men ze op eene zeef koud
laat worden.
De overige stroopsuiker kookt men nog eens op met de
djeroekpoeroetschillen en stort hierin de koud geworden balletjes.
Men dient dit gebakje voor in kleine Indische kopjes; over elk
aangeboden kopje wordt eerst een weinig geraspte klapper gestrooid.
181.
Kwee Ondé-Ondé.
[96:] Van het ketanmeel, een kopje lauw katjang-idjoewater, de
eieren en de witte suiker maakt men
een deeg, waarvan men kleine balletjes kneedt. In ieder balletje doet men een
weinigje van bovengemaakte katjang-idjoe-suikerpap.
Deze balletjes kookt men in katjang-idjoewater gaar, laat ze op
eene zeef uitlekken, wentelt ze daarna in widjèn-mejan en braadt ze eindelijk
op in klapperolie.
Wanneer men dit gebak gebruikt, strooit men er eerst geraspte
klapper over.
182.
Kwee prol-nanas.
Een blik pine-apple of ananas, 12 sneedjes wittebrood zonder
korst, 5 eieren, geel en wit afzonderlijk geklopt, 5 lepels suiker, 3 kopjes
melk, 1 theelepel fijne kaneel, boter, beschuilkruim.
Men roert door den geklopten dooier de suiker, de melk en 't
kaneel. Dan neemt men een vuurvaste schaal, doet er boter in en hierin, laag
voor laag, de sneedjes brood en ananas, de bovenste laag moet brood zijn.
Over de bovenste laag doet men het stijfgeklopte eiwit en strooit
hierover wat beschuitkruim, kaneel en suiker.
Men bakt deze prol in een matig warmen oven.
183.
Kwee caras-caras.
(Ind.
drabbelkoeken).
Drie volle kopjes rijstemeel, 1/4 kopje gesmolten witte suiker
(d.i. tot stroop gekookt) 1 kopje water, slaolie.Een drabbelkoektrechter.
Het meel wordt met 't water en de stroop tot een [97:] deeg
gemaakt en dit tot een beslag verwerkt, dat men het door den trechter kan
spuiten.
Nu maakt men de olie zoo heet, dat men het beslag door den
trechter er in kan spuiten. Men bakt de koeken tot ze bruin worden, waarna men
ze met den schuimspaan er uit haalt.
Men geeft ze den vorm van krakelingen of vermicellikoekjes.
184.
Kwee-klepon.
Een half pond ketanmeel, lauw water, dikke stroop van goela-djawa,
zout, geraspte klapper en één eierdooier.
Het meel maakt men aan met het water, zout en den eierdooier tot
een deeg, waarvan men balletjes kneedt.
De balletjes vult men met een weinigje dikke suikerstroop en maakt
ze daarna wederom dicht.
Nu zet men een grooten pot op met water en wat zout, kookt dit en
doet hier, een voor een, de balletjes in, tot ze boven komen; het bewijs dat ze
gaar zijn.
Men neemt daarna de balletjes er uit, laat ze uitlekken en koud
worden, waarna ze in geraspten klapper worden gewenteld. Men dient ze aldus
voor.
184.
Wadjiek (Kwee-wajé).
Vijf ons witte ketan, goela-djawa naar smaak (plm. 4 à 5 ons),
twee klappers.
De ketan kookt men gaar; de twee klappers worden gerapst en (met
lauw water vermengd) daarvan santen geperst.
[98:] Deze santen wordt nu met de goela-djawa opgekookt, tot de
olie er uit komt. Dan roert men er de gekookte ketan goed door, tot het een
gelijke bruine massa wordt, geen
klonters. Is ze niet zoet genoeg, dan voegt er nog goela-djawastroop bij.
Men stort de wadjiek daarna uit in een groote schaal, waarna ze
gelijk wordt gestreken; koud geworden, snijdt men deze lekkernij in ruit vorm
of in driehoekige stukjes, waarna ze voorgediend kan worden.
186.
Djagoeng taart.
(MaÏstaart).
Twintig jonge geraspte djagoengs, (in het seizoen), bijna een
liter melk,. tien eierdooiers, een halve theelepel zout, suiker naar smaak, een
paar lepels rozenwater, boter.
Men maakt de geraspte djagoengs met melk aan en zeeft daarna dit
deegje, tot het meel er uit komt en de schilfertjes achter blijven.
a. Vervolgens doet men er de geklopte eierdooiers door met het
zout, de suiker en het rozenwater en doet men dit deeg in een vuurvaste schaal,
die goed met boter is besmeerd en laat deze taart in den oven, tot ze bruin is
gebakken. Dan zet men de schaal nog eens op het vuur, opdat de taart ook aan
den onderkant bruin wordt.
b. Wanneer de djagoeng te dun meel afzet (bij het ziften) kan men,
om de taart dik te doen worden, het geklopte eiwit door de massa (het beslag)
heenklutsen.
Verder als hierboven, sub a.
[99:]
187. Kwee poetri-mandie.
Drie kopjes fijn ketanmeel, een half kopje lauw water; 1/2 pond
javaansche suiker, 3 1/2 kopje water, 2 djeroekpoeroetbladeren, 1/2 geraspte
klapper; kleine kopjes.
De javaansche suiker wordt met 3 1/2 kopje water en de bladeren
tot dikke stroop gekookt, welke daarna gezift wordt.
Nu maakt men van het meel, het lauwe water en ½ kopje suikerstroop
een deeg, waarvan men kleine balletjes kneedt. Deze balletjes worden in heet
water gaar gekookt.
Komen ze boven drijven dan zijn ze gaar. Men laat ze op een zeef
uitlekken.
Men doet den geraspten klapper door de overige suikerstroop, doet
een paar balleljes in elk kopje en bedekt ze met wat geraspten klapper.
188.
Djagoeng-klappa manis.
Acht niet al te jonge maïskolven, afgekookt, een zoo versch
mogelijke klapper, geraspt en 1/4 pond geraspte javaansche suiker.
De pitjes snijdt men af van de maïskolven, doet ze op een schaal;
dan strooit men daarover den geraspten klapper en daarna de geraspte javaansche
suiker.
Een zeer gewild, smakelijk en gemakkelijk te bereiden
"toetje".
189.
Dawet, ook "tjèndol" genaamd.
Een bord arrowroot, zout, melk of santen, goeladjawa stroop. -
Koud water.
[100:] Men maakt het arrowroot met koud water aan en kookt het op,
tot dit een doorschijnende pap wordt (precies als stijfsel). Dan laat men, door
een grove zeef, de pap druppelsgewijze door de gaatjes in een bak of kom,
gevuld met koud water, vallen, waarin het arrowroot dadelijk stolt.
Nu neemt men melk of santen, lengt dit met een weinigje zout aan en met de
goela-djawastroop en doet hierin de koud geworden arrowrootballetjes.
Bij wijze van versnapering wordt deze zoetigheid in
kleine kopjes voorgediend.
190.
Ketan.
(Kleefrijst).
Een pond ketan, zout, water.
Men moet de ketan eerst met wat zout en water wasschen en kookt
haar daarna op, in water, (of in santen, dan is ze smakelijker).
Overigens geschiedt het koken als van de rijst; men gebruike
alleen iets minder water.
Deze ketan kan, in santen gekookt, als toespijs of als nagerecht,
op verschillende wijzen worden voorgediend, hetzij met of zonder geraspten
klapper, en altijd met goela-djawastroop.
Ook kan men, inplaats van rijst, ketan in water gekookt voordienen
en er dan een rijsttafel van maken, waarbij in den regel worden gebruikt:
sajoer lodèh, sambel klappa, sambel oedang basa, sambel oedang kring, sambel
poja.
[101]191.
Ketan-item.
(Zwarte
kleefrijst. - Variant).
Als no. 190; in plaats van witte ketan, neemt men
zwarte ketan. Overigens dezelfde bestanddeelen.
Dezelfde bereiding als hierboven (no. 190).
VOORBEELDEN
VAN EENIGE EENVOUDIGE MENU'S
VAN
INDISCHE RijSTTAFEL.
(MET
VERWIJZING NAAR DE RECEPTEN).
No. 1.
A. Rijst No. 1.
Kerrie van eieren No. 107.
Kalfsfrikadel No. 14.
Sambel oelek No. 113.
Sambel telor No. 119.
Telor asin No. 87.
Djanganan No. 153.
Kroepoek blindjoe No.
165.
Chutney No. 168.
Wadjiek No. 185.
Vruchten van het seizoen of pisang.
No. 2.
Gele rijst No. 6.
Varkensfrikadel No. 16.
Kerrie van gekookte eieren No. 107.
Kaber kebertoe No. 42.
Seroendèng-djagoeng No.
161.
Sambel badjak No. 124.
Sambel ikan-mérah No.
140.
Sambel boeboek-kring No. 132.
Kroepoek Palembang No.
165.
Atjar tjampoeradoek No.
169.
[103:] Kwee-talam No. 175.
Vruchten, ijs.
Nassi gorèng No. 7.
Kerrie van kip No. 108.
Babi kétjap No 21.
Ajam besengek No. 44.
Dadar No. 80.
Sambel góddók No. 137.
Sambel serdadoe No. 126.
Sambel gorèng van eieren No. 144.
lkan-mérah No. 69.
Gefarceerde komkommers No. 163.
Kwee ondé-ondé No. 181.
Vruchten.
No. 4.
Bahmie No. 172.
Gewone rijst No. 1.
Sajor lodèh No. 95.
Dèndèng àti No. 31.
Dadar oedang No. 83.
Sambel brandal No 123.
Sambel gorèng van
tomaten No. 148.
Atjar ikan No. 170.
Dawet of tjèndol No.
189.
Vruchten of gebak.
[104:] No. 5.
Kerriesoep No. 106.
Rijst No. 1.
Sajoer kool No. 93.
Ajam panggang No. 43.
Ikan terie No. 67.
Frikadel djagoeng No.
100.
Kroepoek blindjoe No. 165.
Atjar ketimoen No. 171.
Kwee bidji-salak No. 180.
Vruchten van het seizoen. Pompelmoes.
No. 6.
Nassi keboeli No. 4.
Sajoer of goeli boontjes No. 92.
Varkensfrikadel No. 16.
Ajam rietja No. 48.
Garnalen koekjes No. 73.
Sambel daging No. 117.
Sambel petéh No. 130.
Sambel poja No. 129.
Chutney No. 168.
Kwee Klepon No. 184.
Vruchten van het seizoen.
EEN
UITGEBREIDE TAFEL.
(MET
MEER GERECHTEN).
B.
Rijst met gehakt No. 5.
Tetégé van boontjes No. 96.
[105:] Kerrie kodja No. 112.
Ajam panggang No. 43.
Lembaran van kip No.
155.
Sambel telor No. 119.
Sambel petis No. 131.
Sambel badjak No. 124.
Gefarceerde lomboks No.
164.
Seroendèng No. 162.
Atjar tjampoeradoek No.
169.
Koffie, gebak; spekkoek No. 174.
Vruchten van het seizoen of de verkrijgbare Indische vruchten.
Geprepareerd ijs.
Koffie.
[106:] INHOUD
INLEIDING. . . . . . . VII
ENKELE BIJZONDERHEDEN VAN SOMMIGE INGREDIËNTEN ... . . .XIII
OVER HET KOKEN. .. .XIV
De rijstbereiding.
1. Gewone rijst . . . 1
2. Een andere manier. . . . 1
3. Rijst met kip (nassi ajam) . ... 2
4. Rijst, genaamd "nassi keboeli" . 3
5. Rijst met gehakt. ... . 4
6. Gelerijst. ... . . 4
7. Gebraden rijst (nassi gorèng) . .,. 5
8. Een andere bereiding van gebraden rijst. . 6
9. Nassi goeri . . . . 6
10. Schotel van overgeschoten rijst, sambelans en vleesch 7
11. Rijst voor zieken en zwakken (nassi-tim) . . . 7
12. Ketoepat. . . . 8
Eenige vleesch-, kip-, visch- en eierschotels.
13. Masak-Lelawar van vleesch. . . .. 8
14. Kalfsfrikadel. . . . . 9
15. Lamsvleesch met kerriesaus. . . 10
16. Varkensfrikadel.. . . 10
17. Gerafeld vleesch (abon-abon). . 11
18. Babi gorèng tomaté.. . . 11
19. Bebàtàk van vleesch (vleesch in kopjes, dan wel in bladeren
gewikkeld) ... .. 12
20. Babi goelaÏ-kling . . 12
21. Babi kétjap (varkensvleesch met soja. . . . 13
22. Babi koetjaÏ (varkensvleesch met jong look) . . 14
23. Babi mérah (rood varkensvleesch).. . 14
24. Babi sesaté (varkensvleesch aan pinnen geregen) . 15
[III:]
59. Ikan kemirie (vischgerecht). . .. 32
60. Ikan brèngkès (geroosterde visch in bladeren). . 33
61. Ikan koebis . . 33
62. Ikan tjoeka (visch in azijn en kruiden) . . 34
63. Ikan brèngkes haring . 35
64. Ikan brèngkès soerabaia of ikang brèngkès kloewak. 35
65. Ikan otat-otat (gevulde visch). . 36
66. Ikan mangot .. . 36
67. Ikan terie (zeer kleine spierinkjes).. " 37
68. Blinjé . ., 37
69. Ikan mérah (Makassaarsche roode vischjes). . . 38
70. Oedang tjaé . 38
71. Oedang tjoeka (garnalen in azijn) . . . 39
72. Pèpès zalm . . 39
73. Garnalenkoekjes . 39
74. Frikadel van kreeften . . 40
75. Frikadel van gehakte garnalen . 40
76. Gebakken of geroosterde scharren (namaak ikan-spat) 41
77. Rempah-oedang . .. 41
78. Sardijntjes-gorèng .., .. 41
79. Troeboek (gebakken) . 42
80. Dadar (gewone Indische eierstruif). .. 42
81. Mata sapi (spiegeleieren) . . 42
82. Omelet met ham.. 43
83. Dadar-oedang ., . 43
84. Amé-kemoeté. . . . 44
85. Telor-kerrie kling .' . 44
86. Eieren met kerriesaus . 45
87. Telor asin (gezouten eendeneieren) .. 45
88. Tomaté-isi. . . 46
Sajoers (Indische soepen) en kerrie's.
89. Sajoer assem. . . 47
90. Sajoer assem tomaté
. . . . . . . 48
91. Sajoer bajem . . .. 48
[IV:] 92. Sajoer boontjes, ook genaamd .Goelei boontjes" . 48
93. Sajoer kool ., . 49
94. Sajoer lodèh-boontjes . 50
95. Sajoer lodèh . . . 50
96. Tetégé van boontjes. . 51
97. Toemis kool (variatie op No. 93) . . 51
99. Toemis boerenkool. . 52
99. Toemis jonge peultjes . 52
100. Piendang djagoeng .
. 52
101. Piedang serani. .
53
102. Piendang tel or. .
. 53
103. Piendang tiram. . 54
104. Piendang van visch . . 54
105. Piendang kétjap van visch . 55
106. Kerriesoep. . 55
107. Kerrie van gekookte eieren. . 56
108. Kerrie-ajam . 56
109. Kerrie tomaté . . 56
110. Kerrie ikan. . . 57
111. Kerrie met garnalen. . . 57
112. Kerrie kodja . 58
Sambelans en sambel gorèngs.
113. Sambel oelek. . 59
114. Sambel-oelek met kétjap - ook (of) met citroensap. 59
115. Sambel assem. . 59
116. Sambel àti (sambel van lever) . 60
117. Sambel-daging (sambel van vleesch) . 60
118. Sambel bawang. .. 60
119. Sambel-telor (sambel van eieren) . . 61
120. Sambel-boeboek dèndèng . 61
121. Sambel-boebaek ikan ... . 61
122. Sambel-boeboek katjang. ... 61
123. Sambel brandal. . .'. 62
124..Sambel badjak. 62
[V:]
Sambel badjak met vleesch.
. 63
Sambel badjak van garnalen.
. 63
Sambel badjak van ikan
terie . . 63
Sambel badjak van dèndèng .
63
125. Sambel klappa mentah. . 63
126. Sambel serdadoe . 64
127. Sambel ketimoen (komkommers) . . 64
128. Sambel lobak
(rammenas) . 64
129. Sambel poja . 65
130. Sambel petéh .. . 65
131. Sambel petis . 66
132. Sambel-boeboek kring (van garnalen) . .. 67
Variaties . 67
133. Sambel oedang baBa (sambel van verschc garnalen) . 67
134. Sambel grèh of ook sambel terie . . 68
135. Sambel kemirie.. . . 69
136. Sambel katjang gorèng . . 69
137. Sambel goddok (van allerlei groenten) . . 69
138. Sambel selderij of sleddrie . 70
139. Sambel oelek tjabé idjoe. . 71
140. Sambel ikan-mérah (sambel van roode vischjes) . . 71
141. Sambel troeboek . . . . . 71
142. Sambel klappa (sambel van klapper) . 72 Variatie: Boeboek-klappa . . 72 143. Sambel djeroek (sambel van citroenen). . 72 144. Sambel gorèng van eieren. . . 72 145. Sambel gorèng lombok idjoe . . . 73 146. Sambel gorèng boontjes.. .. 73 147. Sambel gorèng pengantèn . . . 74 148. Sambel gorèng van tomaten. . .. . 74 149. Roedjak gobèt . .. . . .. . 75 150. Roedjak manis (zoete roedjak) ... 75 Verscheidenheden. 151. Djagoeng klappa. ... [VI:] 152.,Lalap van tomaten. . . . 76 153. Djanganan. . 76 154. Gado-gado Betawie . .. . 77 155. .Lembaran van vleesch of kip. . 78 156 .Ajam-àpor (kip, gevuld met kruisbessen). . . 78 157. Djagoeng met oedang . 79 158. Eend, gevuld met appelmoes. . 80 159. Lelawar van eenige vleeschsoort (b. v. van varkensvleesch) 81 160. Frikadel djagoeng (gehakt van maïs) . .. 81 . (Hetzelfde met garnalen) . . 82 161. Seroendèng djagoeng . 82 162. Seroendèng .. . 83 163. Gefarceerde komkommers. ... 83 164. Gefarceerde lomboks (frikadel tjabé) 84 165. Kroepoek. . 85 166. Pisang gorèng . . . 86 167. Tèrong gorèng . . 86 168. Chutney .. . 86 169. Atjar tjampoeradoek (namaak Indisch zuur) . . 87 170. Atjar-ikan (zuur van gebakken visch, b.v. van ijbokking) 88 171. Atjar ketimoen (komkommerzuur) . .. 88 172. Bahmie (Chineesch-Indisch gerecht) . . 89 173. Tjap-tjaé . . . 90 Eenige Indische kwee-kwee's, gebak en lekkernijen. 174. Spekkoek. . . 91 175. Kwee talem . 92 176. Klapperkoekjes... . 93 177. Kwee adas . . 93 178 Kwee pisang . . 94 179. Kwee pisang gorèng . . 94 180. Kwee bidji-salak of
poetri-mandie. . 94 181. Kwee Ondé-Ondé . . 95 182. Kwee prol nanas .
" 96 [VII:] 183. Kwee
caras-caras . . . . . . . . 96 184. Kwee-klepon . . . . . . 97 185. Wadjiek (kwee-waj) . . . 97 186. Djagoengtaart (maïstaart). . . . . . . 98 187. Kwee poetri mandie. . . . . . . . 99 188. Djagoeng-klappa manis. ..' . 99 189. Dawet, ook "tjendol" genaamd (gestolde arrowroot met klapper, melk, suiker).. .' 99 190. Ketan (kleefrijst) . . .' .' 100 191. Ketan-item (zwarte kleefrijst - variant) . . . 101 A. VOORBEELDEN VAN EENIGE EENVOUDIGE MENU'S VAN INDISCHE RIjSTTAFEL. . 102, 103, 104 - B. EEN UITGEBREIDER MENU (met meer gerechten) 104, 105
Terug naar Startpagina